Channels

Vraagstuk

In dit artikel wil ik aandacht besteden aan een mijns inziens verwaarloosde kant van het onderwijsproces en wel de aandacht voor een levendige en voortdurende dialoog tussen docent en studenten. Ik zie vanuit mijn rol als lector aan een Hogeschool een verband tussen dit gebrek aan dialoog en de actuele problemen in onderwijsinstituten, zoals het behoud van motivatie en vitaliteit bij leerkrachten en studenten als ook de geringe aandacht voor persoonlijkheidsvorming van studenten in verhouding tot de overweldigende aandacht voor kennis gerichte leerstof programma’s. Deze vraagstukken kunnen in verband gezien worden met de door de Minister van Onderwijs Plasterk gevraagde aandacht voor professionele ruimte in Hogescholen.
Een zingevingvraagstuk.

Historie

George Steiner beschrijft in zijn boek Het oog van de meester (De Bezige Bij, 2004), dat het enige echte leerproces zich nog altijd afspeelt tussen meesters en leerlingen. De leerling moet een weg zoeken om aan de meester voorbij te komen. De meester leidt de leerling naar de bronnen.

Het klassikale onderwijs waar ik (geboren in 1947) vanaf de lagere school tot en met een groot deel van mijn sociologiestudie deel van uitmaakte, was een voortdurende uiteenzetting tussen leraar en leerling. Nog kunnen wij smakelijke anekdotes vertellen over de middelbare HBS leerkrachten die zich soms in onze ogen bijzonder vreemd in de klas gedroegen of hoogleraren die ons inschakelden om zelf helderheid te verkrijgen over een bepaald thema. Terugblikkend kun je zien dat het leren erg bepaald werd door hoe studenten en docenten zich tot elkaar verhielden en met elkaar omgingen.

Lees ook:

Cultuur binnen het hoger onderwijs? Maak het tastbaar!

Deze frontale manier van onderwijzen werd na de democratiseringsgolf van de zestiger, zeventiger en tachtiger jaren als onjuist en achterhaald gezien. Kinderen en studenten moesten leren zelfstandig te werken en dit aan de hand van door de docent gegeven opdrachten. Docenten gingen in de weer met hun eigen leerstof, hun vakontwikkeling, ATV dagen en wat niet meer. Beiden, student en docent, eigenden zich een andere manier van werken toe. De docent werkte leerprogramma’s voor studenten uit, intelligente opdrachten met resultaat criteria en kwaliteit toetsen. De student bekwaamde zich in intelligent citeren uit internet en bibliotheekboek en het gestructureerd presenteren in woord en schrift. Studenten en docenten, overigens als zo velen die aan het werk zijn vandaag, landden in eigen processen waarin geïndividualiseerd en soms met anderen samen, gepresteerd moet worden, beantwoord moet worden aan gedetailleerde eisen.

Wat mij als werking daarvan is opgevallen bij universitaire en HBO studenten en docenten is, dat zij drie parallelle maar op zichzelf staande belangen hebben die hun leven sterk beïnvloeden.

  • Ze proberen als calculerende studenten en docenten te beantwoorden aan het studie systeem waarin de docent als operator van het systeem het leerprogramma maakt dat door de student gevolgd moet worden.
  • Ze zien hun docentschap of studentschap als een baan waar respectievelijk een inkomen en punten te winnen zijn.
  • Ze houden van het sociale gezelligheidsleven in de context van familie, vrienden, sport, kunst en café.

Ik vroeg eens een groep economiestudenten die ik aan de Erasmus universiteit doceerde, hoe zij de samenhang zagen tussen hun studie concepten en het betaalde baantje dat zij deden. Het bleef stil. “Wat bedoelt u?” was de reactie. Economie modellen konden zij niet in verband brengen met concreet werk. Ook niet met hun persoonlijke gezelligheidsleven. “U bent zo abstract” zeiden ze. Ik dacht juist dat ik erg concreet was. “U wordt pas concreet als u ons een model geeft” zeiden ze. Dat vond ik juist abstract.

Zingeving

Wat is de zin voor student en docent van een onderwijssysteem dat, zo is mijn conclusie, vooral opvoedt tot geprogrammeerd handelen en afschrikt tot het opzoeken van de vrije risicovolle bewegingsruimte? Dit vraagstuk toont zich in hoe docenten en studenten oordelen over hun eigen bestaan in deze rollen.

Wanneer ik gedurende een aantal jaren met grote regelmaat studenten en docenten bevraag op hoe zij hun huidige bestaan beoordelen dan valt mij op dat het klagen over wat niet klopt de overhand heeft op de inspiratie waarmee het vak gedaan wordt. Je moet even boren wil je terecht komen bij de bron van waaruit docent en student in dit proces werken. Het gaat veel meer direct over de belastende en veeleisende situaties, de organisatie die niet klopt, de onduidelijkheid over schema’s en eisen die gesteld worden, de belastende extra arbeid met al die kwaliteit toetsen.

De werking van dit systeem toont zich mijns inziens nog eens versterkt als studenten na hun opleiding aan het werk gaan. Ze komen dan in een wereld terecht waar opeens geen belangstelling meer is voor concepten en modellen. Ze komen in een wereld terecht van concrete hiërarchische machtsverhoudingen tussen mensen waarbinnen concreet gepresteerd moet worden. Ze staan op zichzelf. Ze worden aangezet zich te voegen in het organisatie geheel, in de eigen organisatie cultuur van bedrijf en team en ook wordt tegelijkertijd eigen initiatief verwacht en ondernemend handelen. Ze komen vandaag de organisatie binnen zonder een lange termijn perspectief, zonder een lange termijn ontwikkelagenda. Ze stappen in contract banen en moeten zelf de weg zoeken naar het volgende interessante alternatief.

Na 1 jaar werken is 1 op de 10 jonge werknemers afgebrand en voorlopig arbeidsongeschikt las ik enige tijd geleden in een NRC artikel. Grote teleurstellingen worden ervaren dat niet echt iemand in hen persoonlijk geïnteresseerd is of je moet geluk hebben om een bereidwillige oudere collega te treffen die je een handje helpt of een baas die de moeite neemt je te coachen. De behoefte aan ontmoeting en samen doen neemt alleen maar toe.

Persoonlijk leiderschap

Een leerkracht stoeide met het vraagstuk hoe hij de studenten zo kon disciplineren dat zij de lessen geschiedenis volgens het gevraagde systeem wilden volgen om zo te kunnen beantwoorden aan de eisen die de programma’s stelden. Het lukte hem niet daar echte stappen in te zetten. In een zelfonderzoekproces kwam hij tot het inzicht dat hij het mogelijk om moest draaien. Hoe kan ik met mijn studenten zo geschiedenis doen dat zij discipline leren? Dat bleek veel beter te werken. Het focus was niet meer het vullen van vaten wat al snel tot verveling en gedoe leidt maar was het ontbranden van een vuur.

Deze docent was erg op zijn stof en de inhoud gericht en had weinig aandacht voor het proces dat zich voltrekt tussen docent en student. Zijn inspiratie lag bij het thema en niet bij het leren van de studenten. Door de draai die hij maakte kon hij zich veel meer op het proces richten wat zich afspeelt, de studenten waarnemen in hoe zij met de stof, elkaar en hem omgaan.

Wat kan een docent doen opdat de studenten innerlijk in beweging komen en op onderzoekpad gaan? Hoe scheppen zij samen professionele ruimte?

Dat vraagt allereerst van docenten dat zij de ontmoeting met studenten aangaan. Wie ben jij, wat beweegt jou, wat is jouw vraag, wat is jouw volgende stap? Ook omgekeerd.

Vervolgens is van de docent gevraagd dat hij een origineel proces voor zijn studenten inricht waarin zij met elkaar de stof verkennen en zich eigen maken?

Een essentieel vermogen daartoe is het voeren van dialoog met de studenten. De kern van dialoog voeren is luisteren naar de ander. Wat zegt zij of doet zij, welke gevoelens zijn daarmee verbonden, wat is de wilsrichting? Door vragen te stellen die tot nadenken leiden, door initiatieven te nemen die verrassende situaties scheppen, komen de studenten in beweging. Doordat studenten zich op eigen wijze de opgedane ervaringen en inzichten bewust maken, dat documenteren en daarover verslag doen, verinnerlijken ze het geleerde en wordt dit tot eigen geestkapitaal waarmee het leven gemeesterd kan worden. Het is het persoonlijk leiderschap van de docent dat het persoonlijk leiderschap van de student doet ontvonken.

Een voorbeeld uit eigen praktijk:

In de minor Mens en Organisatie aan de Stenden Hogeschool, waarin 25  studenten 10 weken lang onder begeleiding onderzoek naar leiderschap doen in verschillende organisaties, slaat de schrik de studenten om het hart wanneer ze horen hoe de minor is ingericht. Ze moeten in groepjes op stap naar een onbekende organisatie waarin een onbekende opdrachtgever hen een onderzoekvraagstuk meegeeft. Ze moeten daar goede gesprekken over voeren met medewerkers van die organisatie die met dit vraagstuk van doen hebben en wel zo dat het vraagstuk in de organisatiegemeenschap tot leven komt. Ze moeten berichten van hun onderzoek wat ze beleefd hebben, wat ze gevonden en geleerd hebben, wat ze als wezenlijk beoordelen als het op persoonlijk leiderschap aankomt en dit ook tot slot delen met hun opdrachtgever en ook collega studenten en bijdragende docenten.

Waar zijn de concepten, waar zijn de modellen, welke aanpak moeten we volgen, hoe moet onze PowerPoint presentatie eruit zien? Slechts de moedige studenten die wel eens iets anders willen doen en beleven, stappen in. Ze gaan met de begeleidend docent door een gezamenlijk proces heen. Als ze eenmaal thuis zijn in het proces en de smaak te pakken hebben zijn hun reacties:

  • De mensen waarmee wij spreken nemen ons serieus,
  • We hebben waargenomen wat we voorheen niet zagen,
  • Ik heb mezelf beter leren kennen,
  • Ik weet nu hoe ik zelf een proces vorm kan geven,
  • De biografie van mensen is boeiend om naar te vragen.

Andere aansturing van onderwijsinstituten

Willen we in staat zijn deze aandacht voor de docent – student relatie en dialoog te geven, dan zal daartoe de besturing en aansturing in de onderwijsinstituten een ander accent moeten krijgen.

Nu is de besturing er vooral op gericht de buitenwereld te laten zien hoe goed beantwoord wordt aan alle kwaliteitseisen die allerlei instanties stellen. Klopt het studenten dossier, worden de voorgeschreven procedures gevolgd, is de opleiding geaccrediteerd, volgen de onderwijzers alle bijscholingen enzovoort.

Wat nu nodig is, is een versterkte aandacht voor de unieke kwaliteit van de docent – student dialoog en confrontatie, voor hun gemeenschappelijke proces en resultaat, voor hun gezamenlijk ontwikkelen van de professionele ruimte. Dit vraagt de moed om aan te knopen bij de concrete personen en het concrete proces dat zich voltrekt. Om dit een goede grond te geven is er een vernieuwde aandacht nodig voor de volgende vraagstukken:

  • Hoe richten we een inspirerend, avontuurlijk leerproces in voor dit vak, voor dit thema? Het zoeken en scheppen van een geëigend proces voor deze inhoud.
  • Hoe komen docent en student in dialoog, bevragen elkaar, luisteren naar elkaar en nemen initiatieven? Het tot elkaar doordringen en elkaar in beweging brengen.
  • Hoe knopen we alles vast aan de biografie van docent en student opdat zij in staat zijn samen zingeving te scheppen vanuit wat meegemaakt wordt?

Wat zou het mooi zijn als docent en student het samen gaan doen. Samen onderzoeken en experimenteren, samen leerprojecten vorm geven, samen een vak leren, samen wetenschap bedrijven.

Het is de leraar die de leerling meeneemt in een proces van leren, verkennen, oefenen, experimenteren, uitvinden, reflecteren, samen dialogerend. Het is de leerling die de leraar voor verrassende vragen stelt en ook ongebruikelijk interpretaties. Dat is samen leren vanuit de echte ontmoeting leraar – leerling. Dat is het innemen van professionele ruimte op een horizontale manier.

Een paar voorbeelden uit eigen waarneming:

  • Een docent neemt zijn studenten mee op pad en bezoekt mensen die met hun vak op een bijzondere manier bezig zijn. Ze komen in gesprek met deze mensen, zien hoe die bezig zijn en dat inspireert de studenten en geeft richting.
  • Een docent brengt zijn studenten in contact met opdrachtgevers die met een vraagstuk worstelen. Studenten spreken met betrokken mensen over dit vraagstuk, niet om met oplossingen te komen maar om het vraagstuk in de organisatie tot leven te wekken. Ze ontdekken aan deze gesprekken veel over zichzelf.
  • Een docent speelt met haar studenten actuele situaties na en reflecteert met hen samen over wat er gebeurt en wat zij daar van kunnen leren.
  • Studenten helpen een docent met het schrijven van een artikel.

Tot slot

De minister van onderwijs heeft de wens geuit dat Hogescholen zich bezig houden met het vraagstuk van de professionele ruimte. Aanvankelijk wilde hij hierover een Statuut schrijven. Dat stuitte op weerstand bij de HBO raad. Laat de Hogescholen dat nou eens zelf uitzoeken en daarover dan berichten. Op verschillende Hogescholen kiest men voor een dialogische aanpak. Laten we als bestuurders in gesprek komen met deans, teamleiders en docenten over hoe zij die professionele ruimte vorm (kunnen) geven, hoe zij van elkaar kunnen leren, hoe zij daarin de studenten betrekken, hoe zij op onderzoek uitgaan, hoe zij reflecteren op methodologische vragen, hoe zij experimenten doen.

Daar ben ik graag bij betrokken en ik ondersteun enkele Hogescholen hierin op hun verzoek. Dat voedt ook mooi het lopende onderzoek van de eigen kenniskring aan de Stenden Hogeschool Leeuwarden naar vragen over leiderschap en zingeving in organisaties.

Literatuur:
George Steiner, Het oog van de meester, De Bezige Bij, 2004
Zie A. Bekman, De methodologie van de evidentie, M&O thema nummer Interveniëren en veranderen, nr 3/4, mei/augustus 2006.

 

Reageer

Na het plaatsen kunt u uw reactie nog 30 minuten aanpassen.

Reacties

Geweldig artikel, geen enkel punt in dit artikel duidt gewoon niet op waarheid. Ikzelf ben 3de jaars student Technische bedrijfskunde. Ik merk nu tijdens mijn eerste stage, dat door de manier waarop wij zijn gevormd op de opleiding, dat we zelf onze ligische kennis niet meer goed toekunnen passe, omdat overal een model bij gebruikt dient te worden. Is er geen model die past bij jou manier van onderzoeken, dan klopt je manier niet en moet je toch maar gaan werken volgens het model.

Hoe willen wij ons ooit voorbereiden op het daadwerkelijke beroepsleven dat ons over anderhalf jaar al te wachten staat. Studenten worden alleen nog gewezen op hun fouten en er wordt zelden nog echt persoonlijke aandacht aan je besteedt.
‘Dit is niet nodig want alle regeltjes en wat gedaan moet worden is toch al voorgeschreven’.

Wij als studenten zijn goed instaat zelfstandig informatie te verzamelen van internet, want de meeste studenten zijn beter thuis in de ICT dan docenten. Maar wat de docenten rest is het aanleren van discipline en het betrekken en motiveren van de student. Te weinig contact uren vul deze dan niet op met zinloze theorie lessen, laat studenten aan het werk gaan en ga bij ze zitten, zodat meteen kennis overdracht kan plaatsvinden. Veel opleidingen lijken meer op zelfstudie. Het belangrijke is net als binnen andere oraganisaties, het leidinggeven zorg dat een student gemotiveerd raakt en blijft bij het vak waar hij mee bezig is. Alleen dan haalt een student het beste uitzichzelf naar boven. Zorg dan ook dat hij trots kan zijn op zijn werk.

Heel mooi voorstel wordt hier boven al gedaan om verandering te brengen in deze Blauwe denkwijze(zoals dhr. Caluwe dit verwoord). Niet alles is voorgeschreven en docenten moeten werken ana het ontwikkeltraject van de student, waardoor meer kennis gedeeld zal worden en de docent nieuwe inzichten van leerlingen tot zich kan nemen.

Ook vakken als psychologie zouden zeker op een management studie meer opgenomen moeten worden. Wat is er nu belangrijker om als toekomstig leidinggevende te leren over je medewerkers. Hoe herken ik hun belangen, wat speelt er in hun hoofd, hoe dring ik tot ze door etc etc. het is toch 1 psychologisch spelletje? Ken je iemands belangen en weet je wat er speelt dan is het pas mogelijk iemand daadwerkelijk te motiveren. Ook docenten dienen over deze kwaliteiten te beschikken en hier aandacht aan te besteden.

Nog een aanvulling/toevoeging: Wat ik vanuit de rol van stagebegeleider (in het bedrijfsleven) vaak merk is dat studenten zichzelf vaak niet goed kennen. Wat wil ik bereiken? Wat wil ik leren? Welke persoonlijke vaardigheden bezit ik wel/niet en wat kan ik hierin verbeteren? Met deze vragen hebben ze heel veel moeite. Daarentegen weten ze vaak heel goed wat de school van hen verwacht t.a.v. hun stage. Dit wordt volgens mij mede door het gehanteerde systeem in stand gehouden. Ga als docent in gesprek wat een leerling wil bereiken met een vak i.p.v. regeltjes op te leggen die de leerling dan maar moet volgen. Tuurlijk zijn er kaders, maar een creatieve leergierige docent, weet binnen de kaders genoeg ruimte te scheppen om zijn/haar studenten te prikkelen.

Weer eens een artikel van een enthousiaste docent. Zo enthousiast, dat hij even wat vergeet. Hij vergeet dat veel docenten enthousiast zijn voor hun vak, en dat moet ook, want anders kun je de studenten niet warm krijgen voor je vak. Hij vergeet ook dat een docent -als het goed is- is opgeleid om studenten te enthousiasmeren, les te geven, aan het werk te krijgen, te belonen, maar niet om zijn collega’s les te geven. Als enthousiaste docent kun je eigenlijk alleen andere enthousiaste docenten opzoeken en elkaar vertellen over je successen, je tegenslagen, de tijd die het kost om saai onderwijs te vervangen door leuk onderwijs, het plezier dat dit oplevert. In bovenstaand artikel, en dat is geen uitzondering, wordt niet gesproken over de hoeveelheid tijd die de overgang kost, en wat het oplevert voor de docent. Wel wordt de opmerking gemaakt dat zowel studenten als docenten hun tijdsbesteding optimaliseren. Daarvoor moet je weten hoeveel iets kost en wat het opbrengt, en ik denk dat veel docenten dat best weten, en daarom de zaak maar laten zoals hij is. Voor mij persoonlijk was (ik mocht niet langer dat tot mijn 65-e werken) het belangrijkste argument dat ik het prettiger vond als ik enthousiast was voor mijn werk, ook al kostte me dat vaak “vrije tijd”. En dat mijn vrouw dit accepteerde. Maar voor elke docent ligt dit weer anders: ze zitten niet in dezelfde klas. Een docent zit trouwens helemaal niet in een klas. Hij kan wel leren van zijn studenten wat het verschil is tussen concreet en abstract, als hij dat wil.

Adriaan Bekman heeft helemaal gelijk.
Zelf werk ik bij de CHE (Christelijke Hogeschool Ede) aan de opleiding P&A/MER (academie Mens &Organisatie genoemd!)
Het mooie onderwijslandschap dat hier geschetst wordt proberen wij toe te passen. Dat het werkt, blijkt uit het feit dat wij al jaren de beste hogeschool van Nederland zijn. Het genoemde voorbeeld van praktijkonderzoek naar leiderschap binnen een bedrijf vinden onze studenten heel normaal.
Dit artikel stimuleert mij om door te aan op de ingeslagen weg en af en toe strijd te voeren. Want ook bij ons is het moeilijk om genoeg contacturen te realiseren.

Een beproefde methode om mensen gemotiveerd te maken en om samenwerking tussen leerlingen en leraren te bevorderen is gebruik te maken van Democratische methoden in het onderwijs. Er bestaan scholen die volledig democratisch georganiseerd zijn, waar leerlingen inspraak hebben op alles wat hun school en leren aangaat. Dit is wellicht voor veel scholen nog een brug te ver. Maar de ervaringen die hier worden opgedaan spreken wel voor zich. EUDEC (European Democratic Education Community) is een beweging in Europa die Democratisch onderwijs promoot en ondersteunt. Democratisch onderwijs is ontstaan rond 1920, toen A.S. Neill de Summerhill school oprichtte. Israel en in de United States zijn veel scholen van dit type, maar ook in Europa krijgt het meer voet aan de grond). De vaardigheden die studenten in dit soort scholen opdoen is naast het standaard curriculum vooral gericht op persoonlijke ontwikkeling (de zingevings vraagstukken onderzoeken wat je met je leven wil en hoe je dat wil berijken). Vandaaruit komt de eigen intrinsieke motivatie voor het leren. Leren gaat dan vele malen sneller en efficienter (het geleerde wordt geinternaliseerd omdat het voldoet aan een eigen behoefte). Voor iedere leraar is het werken met gemotiveerde leerlingen veel leuker en zal het vak veel interessanter en uitdagender worden. Kortom, het kan wellicht een interessante ontwikkeling zijn om toch eens naar te kijken.

Ik kan alleen maar constateren dat docenten meer met zichzelf bezig zijn dan met de maatschappij. De wolligheid druipt er van af. De vraag is hoe onderwijs zo veel expertise opbouwt bij hun discipelen dat ze van dag 1 af aan in hun verworven positie een bijdrage kunnen leveren die klinkt als als een klok. Het eerste bezwaar is al dat de leerstof verouderd is en voorbij gaat aan de techniek. Letterlijk de techniek. ‘Hoe stelt de techniek die ik hier aantref mij hier in staat om mijn verworven kennis te gebruiken ‘. Het eerste probleem is dat de techniek niet onderwezen is. Het tweede probleem is dan nog dat eventuele bijdragen irrealistisch zijn en vooral dat ze niet snel kunnen worden gewijzigd en worden aangepast aan heersende omstandigheden.
Dat los je niet op door als Hogeschool een Exact pakket aan te te schaffen.
Recentelijk is geconstateerd dat : “Kredietcrisis veroorzaakt door Performance Management ; Middelmanagement wordt op disfunctionele manier aangestuurd “(AG 30.10.09); “Gartner sceptisch over de praktijk van Business Intelligence ”
( AG 23.10.09) ; “Manager weet niet waar hij mee bezig is” (AG) ; “Afgestudeerde studenten tonen volgens onderzoek groot gebrek aan ethisch normbesef – “Het gaat fout als ze zelf een beslissing moeten nemen’ ” (Limburger 21.10.09) ; “Bruikbare analyses door visualiseren van data” AG 30.10.09).
Het lijkt er op dat de linkerhand niet meer weet wat de rechterhand doet. En daar kom je niet doorheen als het onderwijs zijn twee linkerhanden koestert.

Misschien zit het probleem wel in het vasthouden aan de rollen van leraar en leerling. Welke beelden, regels en overtuigingen zitten aan die rollen vast? Uit de voorbeelden hoe het tot oplossingen leidde zie ik dat de leraar zijn rol loslaat en bereid is te leren van zijn leerlingen. Deze openheid om weer leerling te zijn zorgt voor de verbinding waarin weer de aansluiting plaatsvindt met de leerlingen die nodig is om het leerproces op gang te brengen.

In deze tijd zijn we vaak bezig om te voldoen aan alle verwachtingen die de buitenwereld (ouders, leerlingen, het schoolsysteem, de politiek etc.) van onze rollen heeft en vergeten daarbij wie werkelijk zijn. Wie was die persoon die geïnspireerd raakte voor het vak? Hoe en wanneer ben je die kwijtgeraakt? De angst om niet te kunnen voldoen aan al die verwachtingen brengt ons in allerlei strategieën om te proberen er toch aan te voldoen. Hierbij raken we steeds verder van onszelf en onze passie verwijderd. Het kost een hoop energie en het levert niets op. Dat is de hoofdreden waarom veel docenten overspannen of burnout raken. De enige manier is om alle angst en onzekerheid toe te laten en weer te gaan doen wat ons hart ons ingeeft en ons energie geeft. Pas dan keert de passie en de verbondenheid met de omgeving weer terug.
Vergeet niet dat je altijd jezelf mee brengt, welke professie je ook uitoefent.

Hartelijk dank voor de reacties tot zover. Ik leid eruit af dat het vraagstuk dat aangesneden is hout snijdt voor hen die reageerden. Het is ook mooi te horen dat er voorbeelden zijn waar een andere weg ingeslagen is en dat de samenwerking docent – student in het centrum van de aandacht staat. Dat er gesproken wordt over contacturen laat overigens mooi zien dat het accent van het werk van docent en student ergens anders ligt nl er worden ons uren gegeven waarin we contact met elkaar hebben. In mijn eigen praktijk als IMO adviseur werken we met het principe alles samen met de klant te doen, dus geen eigen aparte voorbereiding enzovoort. Zelfs het contract schrijven we samen als we dat nodig vinden. Zo trek ik al jaren dan met klanten op, stap voor stap en blijven we samen leren. Zou het mogelijk zijn, ik stel het maar even extreem, dat docent en student het hele proces samen doen, van voorbereiden tot en met evalueren. In mijn boek adviseren in verandering laat ik zien hoe het in de advies praktijk kan werken.
Dat er veel docenten zijn die met hun vak bezig zijn is mooi als ze hun passie ook willen delen met studenten. Een voorbeeldje: een docent beklaagde zich dat de studenten zo passief waren als hij zich inspande hun het vak bij te brengen en te enthousiasmeren. Hij spande zich uitermate in en werd gaandeweg gefrustreerd. Ik suggereerde dat hij eens een experiment zou doen, namenlijk de student neemt hem mee aan de hand en legt hem uit hoe het zit, wat hij waarneemt, wat zij e van vindt en leert. Na de eerste schrik bleek het een verfrissende ervaring, er ontstond een geheel ander gesprek met zijn studenten. Een beetje het een en een beetje het andere was zijn conclusie.
In het vraagstuk van professionele ruimte is het mooi als docenten en studenten samen op onderzoek en experiment uitgaan hoe zij die ruimte kunnen scheppen en innemen. Wat is mijn volgende stap in mijn vakontwikkeling en ook didactische ontwikkeling. Zelf zie ik veel in het steeds weer een beetje anders zien en steeds weer een beetje anders doen. Dat houdt het open voor de verrassing en de ontdekking. Dat balanceert het dagelijkse gedoe.
adriaan bekman

[…] professionals) beschrijft lector Adriaan Bekman van de Stenden Hogeschool onder het kopje: “Aandacht voor professionele ruimte in het onderwijs” een heel ander soort invals hoek op ons onderwerp. Hij richt de focus op de onderwijskundige […]

Toon alle 9 reacties
x
x