Channels

Het CITO toetste in februari 2012 162.000 leerlingen in groep 8 van de basisschool. Het doel? Een verantwoorde doorverwijzing naar een school voor voortgezet onderwijs. Weet de school dan niet welk vervolgonderwijs (VO) een leerling aan kan? Natuurlijk wel. De meeste basisscholen gebruiken het Cito Leerling Volgsysteem waarbij de kinderen –jaar na jaar- worden getoetst op kennis van de basisvakken. Aan toetsen geen gebrek. Maar de prestaties van de basisschool en de leerkracht zelf blijven volledig buiten beeld. Tijd voor verandering.

Wie wil weten hoe een school scoort ten opzichte van andere basisscholen, komt van een koude kermis thuis. Wie wil nagaan of de school de leeropbrengsten van de leerlingen verhoogt tussen de verschillende toetsmomenten in komt daar ook niet achter. Vitale prestatie-informatie over de school en onderwijs blijkt niet publiekelijk beschikbaar. Waarom niet? Wat we wel weten is dat het -ondanks forse extra investeringen- niet beter gaat in het onderwijs. Hoe komt dat? In deel 1 van dit tweeluik analyseren wij de kwaliteit in het basisonderwijs. In deel 2 presenteren wij voorstellen om met meer effect te werken aan talentontwikkeling van kinderen. Dit is mogelijk zonder extra kosten te maken. Het CITO en de scholen moeten met de billen bloot. Wat gebeurt er eigenlijk onder schooltijd, en hoe (goed) wordt ons belastinggeld in het primair onderwijs besteed?

Meer middelen maar prestaties blijven uit

‘Er zijn geen aanwijzingen dat de leerlingen in de periode 1998 tot en met 2009 beter zijn gaan presteren. Het blijft onduidelijk wat de fors toegenomen inzet van personeel en materiaal heeft opgeleverd’. Dat concludeerde onlangs het SCP (januari 2011, Waar voor ons belastinggeld?). Dat zo’n conclusie zorgt voor opwinding in het onderwijsveld is voorspelbaar. Veel onderwijsgevenden zijn gevoelig voor de kritiek van ‘buitenstaanders’ op het (hun) onderwijs’. Men duikt in de slachtofferrol en dan komen er allerlei vormen van externe attributie tevoorschijn. Niet-onderwijzend Nederland wil maar niet begrijpen hoe moeilijk het is om onderwijs te geven.  Onderwijsbonden vragen steeds weer om meer geld, verzetten zich hevig en emotioneel tegen voorgenomen bezuinigingen en grijpen nogal makkelijk naar het stakingsinstrument. ‘De bezuinigingen zijn een aanslag op de kwaliteit van ons onderwijs en de meest kwetsbare leerlingen worden daar de dupe van’, zo houden de vakbonden ons voor. Het is toch duidelijk: er wordt veel van de leerkracht gevraagd: te grote klassen, steeds meer kinderen met specifieke gedragsproblematiek of leerstoornissen, een relatief hoog aantal allochtonen. We moeten het niet bagatelliseren, steeds meer kinderen lijken de kenmerken te hebben van ADHD, ADD, dyslectie en autisme. Om aan deze en andere prestatiebelemmerende factoren tegemoet te komen heeft Nederland in de afgelopen jaren meer in zijn primair onderwijs (PO) geïnvesteerd. Het SCP heeft onderzocht of die extra investeringen helpen. Hebben ze geleid tot aanwijsbare verbeteringen? Heeft de belastingbetaler de onderwijsopbrengsten zien stijgen? Nee, dus. Het SCP oppert in de laatste zin van haar rapport -het venijn zit in de staart- dat het niet ondenkbaar is dat sommige ombuigingen het volume en de kwaliteit van de publieke dienstverlening minder zullen aantasten dan velen op dit moment voorzien. Mooi gezegd, maar besef wel: bezuinigingen in het onderwijs behoeven niet automatisch tot kwaliteitsverlies leiden.

Onderpresterend onderwijs is grote schadepost

Ook andere onderzoeken, zoals het Periodiek Peilingsonderzoek van het Onderwijsniveau (PPON), geven aan dat het eindniveau niet is toegenomen. Het PPON heeft de leeropbrengsten afgezet tegen standaarden die aansluiten bij de geformuleerde kerndoelen van het basisonderwijs. De standaarden zijn gekozen met als uitgangspunt dat 75% van de leerlingen eraan moet kunnen voldoen. Op veel terreinen haalt echter nog geen 60%, of zelfs minder dan 50% van de leerlingen de vereiste norm (Van der Schoot, Onderwijs op peil. Een samenvattend overzicht van 20 jaar ppon, 2008). Het SCP concludeert dan ook dat de leeropbrengsten in het basisonderwijs zeker niet voldoen aan de normen die deskundigen stellen. De maatschappelijke schade van een onderpresterend onderwijssysteem is groot. De talenten en potenties van kinderen blijven onontdekt. De kinderen worden nu in een door onderwijskundigen opgezet traject van toetsopgave naar toetsopgave gestuurd. Er is te weinig ruimte om de eigen mogelijkheden van het kind grondig te exploreren en te ontwikkelen. De instructiecapaciteit (tijd en kwaliteit) is daarvoor niet toereikend en niet adequaat.  Niet zelden zullen ouders die (veel) meer van hun kind verwachten dan de toetsresultaten op school laten zien, het falen van de school thuis gaan compenseren. Zij verruimen in eigen tijd de onderwijstijd van hun kinderen met extra lessen en oefeningen. De tekortkomingen van het falend onderwijs worden ook later in de beroepspraktijk opgemerkt en wederom gecompenseerd, bijvoorbeeld in de vorm van aanvullende bedrijfsopleidingen. De KNAW kwam tot de conclusie dat het rekenpeil op de basisschool omhoog moet omdat Nederland anders zijn sterke internationale positie dreigt te verliezen (Rapport Rekenonderwijs op de basisschool. Analyse en sleutels tot verbetering, 2009). Wel beschouwd wordt het onderwijs voor de belastingbetaler ongemerkt verschrikkelijk duur. Het beeld dat het SCP ons voorschotelt moeten we dan ook bijzonder serieus nemen. Hoe goed is de performance van ons primair onderwijs? Kennelijk is het systeem niet in staat om van binnenuit gedreven continue te verbeteren. Een teken aan de wand.

Benchmarking van basisscholen ontbreekt

Er bestaat nog geen ‘Elsevier score voor basisscholen’. Toch zou dat interessant zijn voor de ouders die voor hun kind (in principe) uit 7500 basisscholen kunnen kiezen. Aangetoond is dat verschillen in onderwijskwaliteit van scholen leiden tot verschillen in onderwijsopbrengst. Robert J. Marzano (Wat werkt op school, research in actie, 2009) heeft met onderzoek een groot aantal factoren benoemd die beïnvloedbaar zijn door de school en bijdragen aan de leerprestaties van het kind. De school en de leerkracht maken het verschil. De prestaties van leerlingen van effectieve leraren nemen overduidelijk meer toe dan de prestaties van leerlingen van de minst effectieve leerkrachten. Variëteit in en de kwaliteit van het didactisch en pedagogisch handelen zijn bepalende factoren. Een goede school is in staat om leerlingen goed te laten presteren, ongeacht de samenstelling van de groep. Simpel gezegd: het is uiteindelijk de leerkracht die het ‘m doet. De rest is bijzaak. In het onderwijs heerst echter een ‘administratiegekte’ (K.J.C. Broekhuizen, FD 11 februari 2012, Papieren werkelijkheid in het onderwijs). De bureaucratie met vele niet zinnige registraties draagt niet bij aan beter onderwijs. Daarentegen, een school met een sterk team wel. Zo’n school zal beter scoren dan een gemiddelde school. Maar voor de ouders is het feitelijk onmogelijk om basisscholen te vergelijken. Het primair onderwijs kent geen publieke benchmarking.

Cito-toets geeft indicaties over de prestaties van de school

Interessant is dat de conclusie van het SCP mede is gebaseerd op de Cito-eindtoets die in groep 8 wordt afgenomen. Over deze toets is veel te doen omdat hij enorme impact heeft bij de toelating tot het vervolgonderwijs. Er worden dan ook regelmatig vragen gesteld over de methodologie van deze toets en de wijze van toetsafname.  Ook onderwijsgevenden zijn niet onverdeeld gelukkig met deze eindtoets. Ze vinden hun eigen adviezen beter, maar zullen lang niet altijd van de CITO-adviezen afwijken. Het draagvlak voor de toets neemt af. In de kern meet de toets hoeveel bagage van de kernvakken een kind heeft meegekregen in 8 jaar PO. Dus niet de intelligentie of capaciteiten van het kind. De score is bovendien -zo claimt het Cito- onafhankelijk van de door de scholen gehanteerde lesmethoden. Maar er is meer over deze toets bekend: de resultaten van de leerling zijn beïnvloedbaar door de leerkracht. Prem Radhakishun speelde hier (2009) handig op in. Hij stelt ‘een leerachterstand is een wanprestatie van de school. Het is belachelijk dat kinderen zo onder druk worden gezet voor een toets’. Ook hij toonde aan dat met een beetje meer aandacht en een gerichte training de score valt op te krikken. Niet elke leerkracht of directeur was blij met deze conclusie. Achterstanden in leervorderingen zijn klaarblijkelijk in te lopen. De Cito toets laat zien welke progressie het onderwijs heeft aangebracht. De toets legt daarom de bal bij het onderwijs zelf. Een voorbeeld: als de resultaten in groep 8 tegenvallen kan een goed werkend team van leerkrachten bereiken dat na enkele jaren een hogere Cito-score wordt gerealiseerd.

Cito-toets voor onderwijsgevenden

De gemiddelde Cito-score schommelt al jaren rond de 535 (op een schaal van 500-550). Het Cito claimt dat de variaties in moeilijkheidsgraad van jaar tot jaar klein zijn. Dit is een duidelijke aanwijzing dat het prestatieniveau van het onderwijs inderdaad niet is verbeterd. Het paradoxale doet zich nu voor dat een adviesscore die bedoeld is om een oordeel te geven over de prestatie van de individuele leerling (waarop veel kritiek is),   gebruikt kan worden als prestatiemaatstaf voor de onderwijsgevenden zelf. De rollen worden omgedraaid: met de Cito-score beschikken we over een benchmark voor het primair onderwijs. Ook de Onderwijsinspectie weet dat en verzamelt deze scores om meer inzicht te krijgen in de zgn. opbrengstkwaliteit van scholen. Wie echter naar een overzicht van Cito-scores zoekt, krijgt ze niet te pakken. De Inspectie geeft geen overzicht, Cito doet dit eveneens niet. De scholen publiceren hun eigen scores lang niet altijd, en geven vrijwel nooit een trendmatig ontwikkeling daarvan. Wanneer we dit veranderen introduceren we weer feedback in het onderwijs. Dat zal de kwaliteit een impuls geven en de scholen aanzetten om het maximale uit een leerling te halen. Het geheim: professionele leerkrachten. Daarover meer in onze volgende bijdrage.

Lees ook:

Waar sturen schoolleiders eigenlijk op aan?

Samengevat:

  1. Ondanks extra investeringen is de onderwijskwaliteit in de afgelopen jaren niet toegenomen
  2. De leeropbrengsten basisonderwijs voldoen niet aan de normen van deskundigen
  3. Bezuinigingen in het onderwijs behoeven niet noodzakelijkerwijs tot prestatievermindering te leiden
  4. Vergelijken van scholen en leerkrachten is niet mogelijk voor belanghebbende ouders
  5. Ouders en bedrijfsleven leveren een flinke bijdrage om falen van de school te compenseren
  6. De school en de leerkracht maken het verschil; de rest is bijzaak
  7. Scholen met een sterk team leveren de beste prestaties
  8. Cito-toets geeft inzicht in de belangrijkste prestatie van school en leerkrachten
  9. De Cito-toets moet voor publieke benchmarking beschikbaar komen.

 

Auteurs: Carien Verhoeff, zelfstandig organisatie-adviseur en onderwijskundige. Leo Kerklaan, directeur Franeker Management Academie. Adviseert over prestatiemanagement.

 

Kennisbank onderwerpen:

Kennisbank onderwerpen:

 

Reageer

Na het plaatsen kunt u uw reactie nog 30 minuten aanpassen.

Reacties

Ik vind het in deze complexe tijd veel te makkelijk om de kwaliteit van de leerkracht te koppelen aan de cognitieve resultaten.
Ik ben het er wel helemaal mee eens dat alle investeringen wisselende visies op onderwijs niet oof nauwelijks invloed hebben (gehad) op de leerprestaties van de kinderen.
het heeft wel veel stress opgeleverd bij leerkrachten en ook daar heeft het huidige onderwijs enorm onder te lijden.

Misschien eens zaak om leerkrachten kritischer uit te zoeken en hen hier ook naar te belonen.

Het niveau van de gemiddelde PABO-docent is dramatisch. Rekenen kunnen ze niet. Grammaticaal snappen ze vrij weinig. Tja, ze worden opgevoed om als puinruimer te fungeren omdat autoriteit wordt verworpen in gezinnen.

Slappe hap. Onderwijs is verrot. Niet door mismanagement, maar door kwalitatief slechte input. Helaas ziet de management wereld weer genoeg punten om mee te gaan werken om zo een financieel gewin te bewerkstelligen. Onderwijs zal ze een worst zijn.

Sterkte.

Graag sluit ik me aan bij de strekking van het artikel. Zelf heb ik ook twee notities in aanvulling.

Een eerste betreft de paradox en de focus. Een basisschool met matig tot lage opbrengsten zit doorgaans vol met paradoxen. Op het moment dat de koers van de school helder is vertaald naar wat er precies wordt verwacht van de individuele leerkracht en het team en schoolleider wordt een school sterker. Paradoxen bestaan uit de koers van de school: Opvoed-/onderwijskundige taken etc.. (Hierover schreef ik ook een boekje)

Een tweede punt betreft het kennisniveau van leerkrachten en de rol van de PABO. In veel gevallen is dit inderdaad laag, maar dat is bekend. Ik denk dat er winst te halen in de sturing op Pabo’s. Nu gebeurt dit op instroom (taal- en rekentoets) , op doorstroom of interne kwaliteitseisen. Het risico bestaat dus dat een Pabo niet gericht is op, of worstelt met de onderwijspraktijk. Een gediplomeerd leerkracht is in principe ook “klaar” met zijn opleiding, deze stopt. Wat mij betreft zou de PABO haar kwaliteit mogen verbeteren door meer een open systeem te worden, met als taak een kader te bieden.

Geachte auteurs,

Laat ik beginnen met een positief punt; ik ben het eens met het feit dat scholen overmatige administratiedrang vertonen. Alleen ben ik het niet eens met het feit dat dit aan de scholen ligt. Door de krampachtige politiek, opgezweept door de publieke opinie en dit soort artikelen, moet er steeds meer geregistreerd worden. Als we even doorgaan dan moet er precies bijgehouden worden hoe vaak en hoelang een kind naar het toilet gaat om er maar voor te zorgen dat er een x-aantal uren lesgenoten worden.
De suggestie in uw artikel is daarnaast dat als er maar harder gewerkt wordt en meer gedaan, wij als land stukken intelligenter worden. Dat CITO scores omhoog gaan. Dat dus de verdeling van de instroom in VMBO enerzijds en H/V anderzijds (zijnde 60-40) anders kan en moet. Ter uwer informatie; de instroom in H/V is de afgelopen jaren al enorm omhoog gegaan. Met als gevolg dat de prestaties op datzelfde H/V, omlaag gaan.
Wat ligt hier, naar mijn mening, aan te grondslag? Het feit dat er steeds harder wordt geschopt tegen het VMBO. Dat dit steeds meer als afvalputje bestempeld wordt. Dat ouders en scholen, zo hoog mogelijke CITO-scores willen hebben en dus gaan trainen en oefenen (net als het voorbeeld dat u geeft van Prem Radakishun). Dat door die hoge scores, leerlingen verkeerd terecht komen, op hun tenen moeten lopen, vrijwel alleen slecht scoren en daardoor zwaar gedemotiveerd raken en gaan onderpresteren, daar hoor je niemand over. Daar rekenen we dan vervolgens de middelbare scholen weer op af, want die hebben het niet goed gedaan. Leerlingen waarvan de leerkracht in het basisonderwijs aangeeft dat het naar de Havo kan, krijgen een H/V advies. Als ze dan vervolgens keurig in de Havo terecht komen, heeft de middelbare school het slecht gedaan “want het had toch een H/V advies, dus VWO waardig!”.
Zolang de politiek en de publieke opinie blijven hameren op meer en meer en meer cijfertjes om toch maar ‘beter’ te kunnen vergelijken, durf ik te beweren dat het onderwijs er niet beter op wordt. Pas als we echt het kind centraal stellen en dus uitgaan van het beste voor dit kind, dan pas zullen we in staat zijn om prestaties te verbeteren. En op dat vlak moeten we docenten gaan scholen; de leerling centraal! En daar helpt geen predikaat “excellente school” of prestatiebeloning bij!

Jammer dat er slecht naar het onderwijsveld geluisterd wordt. Mensen die niet met hun schoenen in de klei hebben gestaan, maar blijkbaar hele goed kunnen uitleggen hoe het gedaan moet worden zijn er in overvloed. Je komt helaas niet vaak tegen dat deze mensen ook oor hebben voor geluiden van de leerkrachten zelf. Deze worden dan meestal gebagatelliseerd.
Als er geklaagd wordt, wordt al snel aangegeven dat we beter ons best moeten doen en dat het allemaal wel kan en we niet moeten zeuren. Maar met concrete punten waar aan gewerkt moet worden komt men niet. scholen met een sterk team scoren beter is een conclusie die logisch is en waar we niets mee kunnen. Wat is een sterk team? Op welke vlakken? Wie bepaalt dit en onder welke voorwaarden? Moeten de leerkrachten van een team ook maar een Cito toets maken ?
Dat de nadruk moet liggen bij de leerkrachten is inmiddels een bekend geluid, dat ik alleen maar kan onderschrijven. Belangrijk is om aan te geven waar dan in geïnvesteerd moet worden. Mijn inziens in didactische vaardigheden, maar zeker ook op het pedagogische vlak!
Verder zou het helpen als de status van de leerkracht verbeterd. Daar heb je inderdaad een goede opleiding voor nodig, maar ook positieve berichten vanuit de media. Nu wordt er alleen maar geklaagd en wordt iedereen er op gewezen hoe slecht ons onderwijs wel niet is en dat valt allemaal best wel mee. De gemiddelde Cito score lag rond havo niveau, dat lijkt mij niet slecht.
Ja , het kan altijd beter. China, daar ligt het niveau veel hoger. Met name als het gaat om het reken- en taalniveau, maar willen we daar naar toe ? Willen we een maatschappij creëren die op die van China lijkt? Denk het niet. Onderzoek toont aan dat kinderen hier veel gelukkiger zijn dan in China. Dat is toch ook wat waard, niet waar?
Ander punt is dat de referentie, als het gaat om de vaardigheidscores bij het Cito lvs, steeds hoger worden geschoven door de inspectie. Dan is het niet moeilijk om te constateren dat er beter gepresteerd kan worden…
Het onderwijs wordt steeds meer een bedrijf. Opbrengsten, administratie, bonussen en/of prestatieloon. Allemaal omgerekend in cijfers. Scholen zijn geen bedrijven. We fabriceren geen pakken melk en gaan ook niet naar de beurs. We werken met kleine mensen.Het onderwijs behelst veel meer;Het ontwikkelen van een stukje eigenwaarde, het kunnen omgaan met anderen, een kritische kijk op de maatschappij ontwikkelen en ga ze maar door. Rekenen en taal helpen daar bij, maar dat is niet het enige.
Verder valt mij op dat onderzoeken van het SCP altijd ten gunste zijn van het kabinet…Toeval ?…

Inderdaad wil ik nogmaals benadrukken dat er te weinig naar leerkrachten geluisterd wordt. Daarnaast zijn er meer factoren waar we naar moeten kijken. Daarmee doel ik op het bedrijfsmatig benaderen van het onderwijs. Het is juist een kwaliteit van het onderwijs om het welbevinden van het kind te bevorderen en ja dat is lastig te meten.
Daarnaast is het onderwijs veel te politiek afhankelijk. Ieder nieuw kabinet heeft weer nieuwe plannen waardoor er van implementatie en evaluatie weinig terecht komt.
Het is een mooi streven dat iedere leerling het beste uit zichzelf haalt maar wat doen we met de leerlingen die bij een VMBO BBL al aan hun top zitten? En wat doen we met de leerlingen die disharmonisch ontwikkeld zijn? Ze moeten een bepaald niveau behalen om naar het MBO te kunnen maar wat als je dat voor Nederlands wel lukt maar voor wiskunde niet?
Als laatste wil ik een lastig onderwerp inbrengen. De medische zorg is aanzienlijk verbeterd. Premature babytjes van 24 weken kunnen gelukkig blijven leven, de vraag is wel welke prijs we als maatschappij hiervoor moeten betalen. Een ontwikkelingsstoornis een/of leerachterstand lijkt me wel realistisch bij zo’n situatie. Die prijs baart me geen zorgen maar wel de bereidwilligheid van onze overheid. je kunt dus niet zonder meer zeggen dat alles hetzelfde is als 50 jaar geleden, er is wel degelijk veel veranderd. En ja ook onderwijs moet daar zijn weg in vinden.

Enige nuance lijkt op zijn plaats. We moeten het niet gaan omkeren.
Ooit was de CITO-toets bedoeld als referentiekader voor de professionele leraar, die de leerling en ouders adviseerde, ten aanzien van de vervolgstap in de onderwijsloopbaan. Een prima positie. De school kent de pupil een langere tijd, soms bijna acht jaar. En daarmee kan de school wel degelijk een gefundeerd advies geven voor elke leerling die het primair onderwijs afsluit.
Later begrepen de ouders dat de CITO-eindtoetsopbrengst een “objectief” gegeven was waarmee je de school onder druk kon zetten om het gewenste schooladvies voor zoon of dochter te laten formuleren.
En in diezelfde periode meende de Nederlandse politiek, evenals in de financiële en bedrijfs sectoren, dat harde cijfers een heldere afspiegeling waren van de kwaliteit van het aangeboden onderwijs…

Ik ben van mening dat doelgericht onderwijs scholen, schoolleiders, teams, leerkrachten en leerlingen helpt in het bereiken van goede opbrengsten. Dat hiervoor peilingen/metingen moeten worden gedaan, staat buiten kijf. Maar meer nog gaat het om relatie, competentie en autonomie.

Leren doet een leerling, gelegenheid tot leren bieden doet de leerkracht! Meten van de leerwinst en toegevoegde waarde is een bijzonder lastig item.

Afrekenen doen we bij de kassa, waarderen doen we op verschillende manieren, op wisselende plaatsen.

Wat een ongefundeerd roeptoeteren van de deskundigen aan de zijlijn.
Meestal vaag management met papieren werkelijkheid.

Samengevat de stellingen

1-Alles wordt duurder en geïndexeerd, de docenten staan al jaren op een 0-lijn, waar blijft al dat geld, zoek dat eens uit.
2-Wie noemen zich allemaal deskundigen? Om zinnige argumenten en adviezen te geven moet je met 1 been in de klas staan.
3-Waarschijnlijk gaan we binnenkort kinderen in houten barakken opvangen. Aandacht kost tijd en tijd kost geld.
4-Dat klopt, maar wat is dan dat grote belang? Dat er nog meer zwarte en witte scholen ontstaan?
5-Laat me niet lachen, ouders rijden met auto tot de voordeur dumpen kids en adieu.
vervolgens pompt de samenleving miljarden in het bijschaven van de opvoeding van deze kinderen ( in het speciale onderwijs?)
6-Waardeer dat dan ook eens
7-Klopt die houden alle ballen nog net in de lucht
8-CITO test een belangrijk deel van alle geleerde zaken op school, maar ook heel veel niet. Scholen met randstadproblematiek e.d. hebben nu eenmaal minder tijd voor de kernzaken omdat er steeds meer problemen uit de samenleving op het bordje van de school worden geschoven
9-Voor wie en waarom?

Herkenning ….. eerst lees ik een theoretisch verhaal en dan lees ik de reacties vanuit de praktijk . Wat ligt het ver uit elkaar.

Ik ondersteun de reacties vanuit de praktijk.

School is een omgeving waarin een leerling (jong mens) gaat deelnemen aan een leerproces. De leerling wordt ondersteund in alles wat de leerling nodig heeft om kennis op te doen. De leerkracht is de aangever.

Waar ik scholen veel mee zie stoeien is gewenst gedrag. Dat is de verantwoordelijkheid van de gehele samenleving en begint bij een ouder. Daar valt veel te winnen.

Als een kind met gewenst gedrag gaat deelnemen aan een school scheelt dat een leerkracht veel tijd, aandacht en frustratie.

Jos
Vader van 2 kinderen

PRESTATIES BASISONDERWIJS – DANK VOOR UW REACTIE

Het is fijn dat onze bijdrage over onderpresterend primair onderwijs veel reacties heeft uitgelokt. Een discussie over het huidig onderwijsniveau is nodig. Dat blijkt ook uit de reacties; zelfs als die soms het tegendeel suggereren. Vooraf: onze bijdrage is zeker niet geschreven omwille van ‘commercieel gewin’. Wij zijn niet op zoek naar een nieuwe markt. Wij vinden wel dat de ontwikkelingen in het primair onderwijs zorgelijk zijn en soms volstrekt de verkeerde kant opgaan. De vraag die wij stellen is dus: hoe kan het beter? En die vraag kun je niet beantwoorden als we de huidige situatie niet eerst goed analyseren. De reacties die wij mochten ontvangen bieden hiervoor prima aanknopingspunten.

Mogen ‘buitenstaanders’ (zoals wij) eigenlijk wel kritische opmerkingen over het basisonderwijs maken? Sommige reacties zijn stellig. Nee, daarvoor moet ‘met je poten in de klei gestaan hebben’. Dat nu is te simpel. Het onderwijs is niet van het onderwijsveld alleen. Kennis- en cultuuroverdracht is van ons allemaal. Onderwijs is maatschappelijk zo belangrijk dat we het vooral niet aan het onderwijsveld alleen moeten overlaten. Zeker nu we weten dat dit niet werkt. Tsa, en wie beweert dat dan wel, lezen we in een reactie. We hebben verschillende bronnen genoemd zoals PPON, SCP, en KNAW. Maar ook in de ontwikkeling van de CITO-score over de afgelopen jaren zien wij hiervoor een aanwijzing. De conclusies van al deze bronnen (afzonderlijk en in onderling verband) is voldoende reden om de discussie aan te zwengelen. Natuurlijk, het onderwijsveld heeft en houdt hierin een aparte positie. Sommige reacties laten helaas zien dat er een teveel aan wij-zij denken in het onderwijs is binnengeslopen. Als de input beter wordt (dus als kinderen meteen al binnenkomen met het gewenste gedrag!?) krijgt de leerkracht het nog wat makkelijker lezen we. En dan de ouders: die rijden hun kind tot aan de voordeur en dumpen het daar. Hoe het met hun kind op school gaat interesseert (zo is de suggestie) geen zier. De inzender zal toch niet menen dat die stelling opgaat voor alle ouders. Als onderwijsgevenden dit soort geluiden ventileren, valt het te begrijpen dat er niet naar het onderwijsveld wordt geluisterd. De vraag is echter of de stelling dat er niet wordt geluisterd wel juist is.

Wij zien hier op een cruciaal punt een frontale botsing. Dat is de kwestie van de vervolgonderwijskeuze. Ja, die weegt voor die ouders gewoon heel zwaar. Mag dat? Is het gek dat ze op een professionele begeleiding en advisering rekenen? En als die niet wordt ervaren, wat moeten ouders dan? Ja, dan luisteren ze niet meer en gaan ze zelf aan de slag. Zo is de cirkel rond. De ouders ervaren van hun eigen optreden (bijvoorbeeld een zelf gegeven Cito-toetstraining) een positief effect. Dat zingt zich rond met als gevolg dat nog minder ouders naar de adviezen luisteren. De vraag of we het kind hier nu wel of niet een lol meedoen blijft overigens volkomen terecht. Nog een voorbeeld van afbrokkelend vertrouwen in de school. Sommige ouders laten hun kind zelf laten testen op IQ. Als door de test het schooloordeel “er zit helaas niet meer in” niet wordt bevestigd, dan gaan ouders hun eigen plan trekken. Kortom: het onderwijs moet nu eenmaal ook de ouders tevreden stellen wil het bestaansrecht behouden.

Wij hebben geprobeerd in onze 1e bijdrage een aantal concrete punten te noemen. Een school kan bijvoorbeeld betere leerprestaties neerzetten (‘scoren’ zo u wilt) met een beter team. Die conclusie wordt meteen van tafel geveegd. Met dergelijke onzin kan het onderwijsveld niets. Het management is slecht. Dus management heeft een school zeker niet nodig, zo beluisteren we. Iemand wijst erop dat de verschillende kabinetten of onderwijsvisies de leerprestaties niet opgekrikt hebben in de afgelopen jaren. Daarin kunnen we wel meevoelen, maar dat wil niet zeggen dat alle ideeën die van buiten komen zonder waarde zijn. Het idee dat de kwaliteit van de leerkracht kan worden gekoppeld aan het cognitief resultaat werkt volgens dezelfde inzender eveneens niet in dit complexe tijdsgewricht. Maar wat is de consequentie van die insteek? De inzender vindt kennelijk dat de leerkracht niet medeverantwoordelijk kan worden gehouden voor het leerresultaat. Met onze suggesties komen wij kennelijk op verboden gebied. Sommige inzenders zeggen dan dat je theoretisch bezig bent, en daar is geen behoefte aan. Inderdaad: de kloof tussen praktijk en theorie is groot.

Wat ons hierin nu vooral opvalt is de vrijblijvendheid. Waarom zegt het onderwijsveld niet klip en klaar wat de kwaliteiten van een leerkracht zijn en waarvoor die leerkracht (dus) verantwoordelijk is? En waarom mogen ouders niet weten wat er van die leerresultaten van de groep of school terecht is gekomen? Dergelijke suggesties brengen een afschuwwekkend beeld tot leven t.w. een toekomst waarin ’alles wordt gemeten’. En dat terwijl we moeten beseffen dat ‘het onderwijs toch geen bedrijf is’. Dat laatste is op zich zelf juist en moet daarom ook consequenties hebben. Maar is het voldoende reden om de schoolproductiviteit niet te meten? Is het een reden om het inzicht in de leerprestaties niet te objectiveren? Of is het een reden om de satisfactie van ouders of kinderen niet te meten? Dergelijke metingen maken van een school zeker geen bedrijf. Als de school een bedrijf was, zou er ook concurrentie zijn, en zouden ouders vrij staan om het onderwijsproduct al of niet te kopen. Maar er bestaat een leerplicht. Ouders zijn verplicht om hun kind naar een basisschool te sturen, waar het in de meest productieve uren van de dag onderwijs mag genieten. Juist omdat er geen vrije markt is moet het onderwijs zich zelf beter reguleren. Daar zijn zeker geen dikke rapporten vol cijfers voor nodig. Overigens, nergens in onze bijdrage hebben wij gepleit voor meer cijfers en administratie. We zijn juist de andere kant opgegaan en hebben er op gewezen dat te weinig leerkrachten nog een professionele oriëntatie hebben. In veel scholen ontbreekt een professionele cultuur. Professioneel in de zin dat de situatie wordt beoordeeld en er zelfregulerend wordt opgetreden. Dat vraagt om professionele leerkrachten met het vermogen tot zelfcorrectie (gebaseerd op zelfkennis en hoge morele standaarden). Dat is geen kwestie van een beetje meer je best doen; het betreft een omslag. Het is zoals een inzender zegt ‘pas als we echt het kind centraal stellen en dus uitgaan van het beste voor dit kind, dan pas zullen we in staat zijn om prestaties te verbeteren. En op dat vlak moeten we docenten gaan scholen; de leerling centraal!’.

Een inzender stelt aan de orde of zo we zo hoog mogelijke Cito-scores moeten nastreven. Die vraag hebben wij ons ook gesteld. Hij wijst op de gevolgen: een zijns inziens onterechte verschuiving in de adviezen van VMBO naar H/V. Nee, wij willen natuurlijk ook niet dat de leerlingen geforceerd boven hun kunnen moeten presteren. Maar onze benaderingshoek van dit vraagstuk is 180 graden anders. Wat wij zeker niet willen is dat leerlingen op grond van de Cito-score in het vervolgonderwijs langdurig gaan onderpresteren. Veel ouders vinden (terecht of ten onrechte) dat hun kinderen in het VMBO onderwijs onderpresteren. Zij vinden dat er ‘meer’ uit hun kind te halen valt. Die ouders hebben dat recht. Hun bezorgdheid moeten we serieus nemen. Deze situatie vraagt zondermeer om opheldering en verbetering. Trouwens het risico dat kinderen onderpresteren bestaat evenzo in het basisonderwijs zelf. Een kind dat al na de eerste toetsen in het basisonderwijs wordt gekwalificeerd (‘neergezet’ is een uitdrukking die ouders gebruiken) als non-performer is feitelijk een onderpresteerder. Dat geldt elke keer dat de onderwijsgevende zelf niet er alles aan heeft gedaan om die leerling tot zijn/haar maximale prestatie te brengen. Dat zijn gewoon gemiste kansen voor de leerling, voor de samenleving, maar zeker ook voor het onderwijs zelf.

Tenslotte nog dit. Een inzender zegt dat wij suggereren dat hogere Cito-scores er toe zouden leiden tot ‘dat wij als land stukken intelligenter worden’. Hoewel dit in bepaalde opzichten zeker een wenkend perspectief is, hebben wij dit verband tussen Cito-score en intelligentie nergens genoemd. Trouwens dat verband bestaat niet. Wel zou een intelligentietest kunnen helpen om beter te bepalen hoever een bepaalde leerling kan komen. Dat gegeven zou betekenis voor de leerkracht moeten hebben. En zo arriveren wij – met dank aan ons kritisch publiek – bij de centrale kwestie: hoe wordt zeker gesteld dat in de beschikbare tijd van het primair onderwijs uit elke leerling wordt gehaald wat er in zit. In onze volgende (tweede) bijdrage gaan we dat verder verkennen. Uiteraard hopen wij wederom op uw reacties.

Wat een waardeloze discussie zeg. Natuurlijk is het veel te kort door de bocht om op basis van de Citoscores even te bepalen dat het onderwijs heeft stilgezeten en natuurlijk is het ook veel te kort door de bocht om maar te zeggen dat het onderwijs “anders”is en dat zakelijke benaderingen ongeschikt zijn, schuilgedrag is dt.

Een paar lichtpuntjes gelukkig: iemand vraagt zich af of je Citoscores wel als basis moet nemen en de conclusie dat de school zich opener en professioneler moet opstellen.

Om met dat laatste te beginnen: Ja graag. Als ouderwil ik graag weten waar ik aan toe ben, ook om mijn eigen aanvullende verantwoordelijkheid te kunnen nemen. Ik bepaal namelijk zelf wat ik, naast een verplicht curriculum, belangrijk vindt qua opvoeding maar ook qua leerstof (wat missen wij een hoop aan maatschappelijke vorming op onze basisscholen….) Daarvoor is het nodig dat een school duidelijk aangeeft wat wel en wat niet tot het lesprogramma behoort, en open is over de voortgang daarin. NB: dat zijn dus niet allemaal door Cito gemeten onderwerpen.

En daarmee komen we bij punt 2: De citoscores en de zo vurig gewenste “hogere” vervolgopleiding. Dat is, vanuit sociaalmaatschappelijk perspectief, een volkomen ongewenste ontwikkeling. De taakverdeling in de maatschappij verandert immers niet wezenlijk, zodat opleiding altijd een relatieve voorsprong geeft. Het zal dan ook niet lang meer duren voordat een HBO-diploma recht geeft op een plek achter de kassa.

Verwezenlijking van potentieel is niet afhankelijk van het niveau van de vervolgopleiding, wel van het benutten van de aanwezige capaciteiten. Dat ouders daar, op grond van de te competitieve cultuur, blind voor zijn is een affront voor onze kinderen.

Dat ook een stuk als dit aangeeft dat beter presteren in de kern in de citoscores ligt lost het probleem niet op, maar draagt er slechts aan bij.

Mijn oproep aan u allen is daarom: ga eens een discussie aan over een manier om te meten of het kind daadwerkelijk centraal staat. Een tevredenheidsmeting onder de ouders, een dialoog over waarden, opvoeding en gedrag stimulerend zou een mooi begin zijn.

Als ouder sta je immers net zo met je poten in de klei als een leerkracht, alleen op een andere plek.

Is het aannemelijk om een verband te zien tussen ‘een sterk team’ op de basisschool en maatschappelijk succes van de leerling? Als je er vanuit gaat dat een kind in zijn/ haar jonge jaren het meeste leert …. dan moet dat ‘sterke team’ daat toch invloed op uit kunnen oefenen?

Leren kinderen belangrijke dingen zoals ambitie, doorzettingsvermogen, mondelinge communicatie, samenwerking niet voor een groot deel ook op de basisschool?
Het stelt mij teleur dat zovele reacties blijven hangen in beschuldigen of schuld ontkennen. Het gaat immers niet om het vinden van schuldigen, maar om het vinden van oplossingen.

Het ‘sterke team’ lijkt mij trouwens niet alleen een oplossing voor de problematiek van de leeropbrengsten, maar ik vermoed dat dit tegelijk ook nog wel eens de oplossing zal kunnen blijken te zijn voor het probleem van ongemotiveerde docenten. PABO’s spelen daar ook een belangrijke rol in …. zoniet DE BRON … wie geven daar eigenlijk les en hoeveel ‘sterke teams’ hebben ze daar?

[…] over ‘Basisscholen kunnen veel beter presteren’ door Leo Kerklaan en Carien Verhoeff: Deel 1 Onderpresterend onderwijs is grote schadepost Deel 2 Tien suggesties voor een beter basisonderwijs Deel 3 Cito-eindscore als vrijwaringsbewijs […]

[…] Lees verder op ManagementSite […]

Toon alle 14 reacties
x
x