Channels
 

Reageer

Na het plaatsen kunt u uw reactie nog 30 minuten aanpassen.

Reacties

Op de flap van het oorspronkelijke, Engelstalige, boek wordt de quote ‘one of the most important management books of all time’ toegeschreven aan Nassim Taleb. Taleb is zelf geen onverdienstelijk auteur, met boeken als Fooled by Randomness en the Black Swan. Taleb neemt in zijn boeken ook het reguliere onderzoek en de economische journalistiek op de hak. Dus dat dit zijn(!) mening is, dat kan ik begrijpen. Maar ik deel je scepsis René: voor mij persoonlijk is dit zeker niet het Beste boek.

Toch geeft Rosenzweig een interessante waarneming en 1 waar veel onderzoekers en m.n. journalisten aan voorbij gaan: de hectiek-van-de-dag en de nieuwe media vragen om snelle berichtgeving, first to market en zo. Dit draagt er aan bij dat de berichtgeving lang niet altijd concreet en correct is. Vervolgens gaat de goe-gemeente met deze op zijn zachtst gezegd halve waarheden wél aan de haal (& hup, daar gaat de beurskoers weer).

Rosenzweig haalt zelf als voorbeeld de ups and downs van CISCO aan. In Nederland vind ik SPYKER hier een mooi voorbeeld: bij oprichting schrijven m.n. DE FINANCIËLE TELEGRAAF en HET FINANCIEELE DAGBLAD SPYKER en zijn ceo Victor Muller letterlijk de hoogte in. Vervolgens is Muller waarschijnlijk niet altijd bereid om vragen van de journalisten in kwestie te beantwoorden en hopla: de berichtgeving, weer tendentieus, praat SPYKER nu de diepte in. Nog het één nog het ander is m.i. als berichtgeving correct; halve waarheden dus.

Ik ben het met je eens: onderzoek naar het succes en falen van organisaties zou dieper én onbevooroordeeld dienen te gebeuren. Echter, niet alleen de tijd daarvoor is ons niet meer gegeven ook het feit dat onze organisaties nu meer dan ooit holons zijn (nb: onderdeel van een, zeer, groot geheel) maakt dat zowel succes als falen niet meer op basis van incidenten e/o door het gedrag/besluit van 1 persoon (nb: de CEO) te verklaren zijn.

Maar we doen het wél….. (management als knack worst zo gezegd)

Goud kunnen maken uit onedele grondstoffen, is een oude behoefte. En nu is het fysieke goud ingeruild voor de gouden onderneming.

Ik schreef hier al in een van mijn blogs: http://binnenbuiten.blogspot.com/2006/03/de-alchemistenbus.html

En daarom ook dank aan de auteur voor de samenvatting en recentie van het boek welke een bijdrage levert aan de ontmaskering van de toverdokters.

En tegelijkertijd stemt het je treurig. Goede verhalen over succes zijn aanstekelijk, zeker als je ervaart hoe lastig het vak van leidinggeven en management is.

Gelukkig, komt er mogelijk hulp uit onverwachte hoek namelijk van de kant van ontwerpers.

Ontwerpers hebben als gaat om de blauwdruk voor een goed ontwerp een andere benadering en die is volgens mij de moeite waard voor managers. Goede architecten, grafische en industriele vormgevers kennen de waarde van goede voorbeelden. Zij laten zich veel en vaak inspireren door wat zij om hen heen aan goede voorbeelden zien. Zij realiseren zich daarbij echter twee dingen. Ten eerste weten zij dat wat nu precies goed werk is, altijd onderwerp van discussie is. En tegelijkertijd is er weinig onduidelijkheid over wat slecht en goed werk is. Goed is herkenbaar, maar er is geen recept of objectieve meetlat voor. Die paradox geeft houvast. (ja, lastig).

Ten tweede beseffen ontwerpers dat het een doodzonde is te copieren. Naaperij staat garant voor niet goed werk. En een ontwerper wil goed werk maken. Geen gebouwtje, maar architectuur. Geen mp3-speler, maar een iphone.

Managers moeten zich misschien in navolging van ontwerpers vooral laten inspireren, maar vooral niet copieren of willen copieren.

Ontwerpen is, vanuit een groot vakmanschap, een eigen invulling geven aan de werkelijke (soms lastig te achterhalen) uitdagingen, rekening houdend met veel en veelsoortige en dikwijls tegenstrijdige randvoorwaarden en eisen. Die ontwerpvraagstukken overwinnen en met een eigen antwoord komen is het begin van een goed ontwerp.

Helaas voor de kwakzalvers en gelukkig voor managers die het verschil willen maken.

Hein Duijnstee
bedenker van management by design

En het heet Empirie.

Zowel auteur van het boek als ook schrijvers van de reacties maken zich – openhartig schrijvend voor eigen parochie – hetgeen te huldigen is – schuldig aan de Binaire Benadering.

Er is Wetenschap en er is Geloof.
En daar is niets tussenin.

De auteur van het boek neemt – als het ware – zijn lezersschare niet of nauwelijks serieus. Alsof het lezerspubliek van Good to great, Build to last, n search of e.a. niet zélf in staat zouden zijn tot relativeren, wegen en beoordelen.

Gezien het management boeken zijn en managers worden betaald om te relatieveren, wegen en beoordelen zouden we er wellicht vanuit kunnen en/of moeten gaan dat ze dat ook kunnen en ook doen.

Management literatuur wordt – inerdaad – geschreven vanuit de Empirie. En daar is niets mis mee.

Want Geloof weet alles, maar niets zeker. En Wetenschap weet nog maar bar weinig, maar wat het weet weet het zeker.

Empirie vertegenwoordigt voor mij de tussencategorie: de meeste management literatuur kent daar zijn oorsprong en is eindeloos waardevol en verdient daarmee beter dan een aanval op statistische gronden vanuit de wetenschappelijke hoek.

Laten we het tijdperk in ogenschouw nemen: we leven – ondanks de weelde aan goede en slechte literatuur – in tijden dat 9 van de 10 organisatie-strategieën, veranderingen en programma’s zijn gebaseerd op de JBF aanpak – geboren uit onnozelheid of arrogantie – of gebaseerd zijn op vage herinneringen aan hetgeen in de MBA gedoceerd werd of gebaseerd zijn op de guru van de toevallig gesproken consulting firm.

Laten we de wereld aan onderzoek overzichtelijk en toegankelijk maken en daarvoor ben ik de auteur dankbaar. Zo ook 12Manage en Business. En tal van dergelijke initiatieven. En laten we wereld – met verstand – beoordelen op validiteit en zingeving. Niet vanuit wetenschap, maar vanuit de toepassing.

Ik meen dat het juist postitief is dat vele modetrends en hypes in de managementliteratuur en in gehypte seminars van managementgoeroes ontmaskerd worden en dus niet de gegarandeerde succesbrengers zijn. De determinanten van succes zijn kennelijk gecompliceerder.

Er zijn zeker wel boeken te vinden met mooie voorbeelden waar inspiratie uit te halen is. Dat meot ook vooral blijven. Dit boek is dan een goede waarschuwing om vooral zelf goed te blijven nadenken over markt, product & innovatie, kwaliteit en concurrentie.

René: De vragen aan het slot van jouw bespreking zijn een goede weergave van de twijfel die ik heb bij het betoog van Rosenzweig. Het boek gaat naar mijn idee mank gaat aan een te natuurwetenschappelijk idee van wetenschap met als belangrijkste tool de statistiek. Dit type denken blijkt niet erg geschikt om de patronen in de relaties tussen mensen op te sporen die beter werken dan andere patronen.

Statistisch niet aantoonbaar dan niet bewezen? Wat je tellen kan moet je tellen maar tellen is niet zaligmakend.

“Niets is zo praktisch als een goede theorie”. Ervaringen vanuit de praktijk, voorbeelden en case beschrijvingen verschaffen inspiratie en houvast. Hein Duijnstee ziet een intrigerende parallel met de wereld van ontwerpers. “Goede architecten, grafische en industriele vormgevers kennen de waarde van goede voorbeelden.” Daaruit zijn lessen te trekken. Of zoals Rob Snelders stelt “laten we wereld – met verstand – beoordelen op validiteit en zingeving. Niet vanuit wetenschap, maar vanuit de toepassing.”

Ervaring is een goede leermeester. We zouden wel gek zijn als we de kennis die aldus ontstaat, negeren. Ook bij deze kennis past altijd een kritische toets en discussie. Bijvoorbeeld: Kennis bedacht door 1 persoon op basis van 1 ervaring is voor mij minder geloofwaardig dan kennis die in tal van situaties velen geholpen heeft. Wetenschappers kunnen hierbij een zinvolle rol spelen. Voor mij is kennisvorming op het terrein van managen en organiseren een sociaal proces van uitwisseling, discussie en toetsing aan weer nieuwe ervaringen.

Het is eigenlijk zonde van alle inspanningen dat zoveel wetenschappelijke publicaties uit de A-journals op ons gebied irrelevant zijn voor de praktijk en door geen manager serieus genomen worden. Lees voor de grap onderstaande tekst over de ontwikkeling van zelfmanagement. Het is een tekst die de spot drijft met “wetenschappelijk” onderzoek. Ik vermeld dit er meteen maar bij want anders neemt iemand dit “Onderzoek over zelfsturing” nog serieus.

“In dit verband verwijs ik naar onderzoek over de ontwikkeling van zelfsturing in een totaal verduisterde ruimte. In het artikel ‘Selfmanagement in a dark space’ (International Journal of Selfmanagement, 2003, pp 342- 351) wordt aangetoond dat men na aanvankelijk wilde bewegingen met de nodige valpartijen, in gemiddeld 18 minuten en 13 seconden, tot rust komt. De beweeglijkheid wordt minder, men verbruikt minder zuurstof, water en calorieen. Dit spontane zelfmanagement heeft tot gevolg dat men langer in de verduisterde en zorgvuldig afgesloten ruimte in leven blijft. Bovendien heeft dit onderzoek aangetoond dat deze heilzame vorm van zelfmanagement sneller intreedt als men alleen in de ruimte verblijft. Het behoeft geen betoog dat deze onderzoeksresultaten van belang zijn voor de inrichting van werkplaatsen en kantoren.”

Nee, ik heb het boek niet gelezen en ga dat ook niet doen. Daar heb ik een (voor mij) héél goede reden voor: ik hèb niets met boeken over leiderschap. Tenminste, niet als onderwerp waar ik veel tijd aan wil spanderen. Ook dáár heb ik een goede reden voor. Wat mij opvalt is het volume, de frequentie en vooral het continu karakter van de niet aflatende stroom van do’s & dont’s m.b.t. leiderschap. Belachelijk: net alsof je zwemmen, dansen, pianospelen of beeldhouwen uit een boek zou kunnen leren. Dan nog vlotte pen en een dikke laag wetenschapsvernis (of wat daarvoor moet doorgaan) erover en HUP: wéér een bestseller.

Wat is dat toch dat miezerige mannetjes in confectiepakken met een saaie stropdas zo orgastisch doet verlangen naar de gouden kenmerken van leiderschap? Status? Geld? Macht? Aardig gevonden worden? Belangrijk worden gevonden? Een pathologische drang om de geheime innerlijke onzekerheid zo goed mogelijk te maskeren? Of jezelf zo zwaar mogelijk te bepantseren?

Ik kijk liever naar die managers, CEO’s of anderszins leidinggevenden waar mensen voor vliegen. Als je naar de eigenschappen van dat soort leiders kijkt vallen een paar dingen op zonder enquêtes met een steekproef oneindig en statistisch gepiel. Het zijn min of meer “gewone” mensen, die een voor de groep “goed verstaanbare taal” spreken, die rechtvaardig (is niet hetzelfde als slap) zijn als ze politiek bedrijven, die uitleggen waarom zus of zo gekozen moet worden. Die eerlijk zijn en hun woord houden, óók en juist DAN als de geweren worden doorgeladen.

Als ik bij een leider méér dan één boek over leiderschap op de boekenplank zie staan is die persoon bij mij verdacht. De tijd die wordt verdaan aan het lezen van veel van dit soort “ bedside literature” kan m.i. beter besteed worden aan echt werken aan je tekortkomingen of minder ontwikkelde kanten. Het met één hand lezen van boek als “Ontwikkeling van Leiderschapskwaliteiten minderbegaafden en No-No’s” lost niets op.

Kijk als leider naar hoe integer je bent. Als het antwoord tegenvalt, DOE er iets aan. Kijk naar je consistentie, je conditie (zowel lichamelijk als geestelijk). Kijk naar je IQ, je EQ en je NQ.
Niet voldoende? Aftreden dan. Je ervaring, je politieke vaardigheid en voor alles: je communicatie. In woord en geschrift. Zorg dat journalisten je niet inpakken en je met opstelletjes verrassen die je niet gezegd / bedoeld hebt.

En als het allemaal niet goed genoeg is? Vraag steun aan je direct ondergeschikten. Als je van binnen “klopt” zul je die krijgen. En als je eigenlijk in je broek doet van alle eisen die als leider aan je gesteld worden? Wat dan?

Nou, gewoon, ga iets doen vanuit je passie. Vraag je af of die leasebak nou ECHT is waar je vrouw opgewonden van raakt. Vraag je af of je kinderen blij zijn met Papa in de schaarse weekend uren. Enne, moet dat nou echt, die hypotheek die eigenlijk niet op te hoesten is met een “normaal” salaris? Gooi het eens in de groep thuis, liefst onder het eten. Kijk wat de rest van je gezin ervan vindt. Zorg dat die 40-60 uur van je week quality time wordt i.p.v. “In het zweet des aanziens zult gij uw brood verdienen”

Jos Steynebrugh
Change Enhancement, Zoetermeer

Erg moedig, om nu eens het management van een andere kant te onderzoeken en te beoordelen, immers het is veel gemakkelijker om het management in wollige bewoordingen te zeggen dat het ‘nog niet goed’ of ‘al heel erg de goede kant op gaat’. Het is lastiger om de fundamenten van de van oorsprong foutieve insteek, een criteria die niet goed zijn gekozen of statistiek die verkeerd wordt gebruikt, – en waardoor de beoordeling vanzelfsprekend onhoudbaar danwel compleet onjuist is – bloot te leggen.
Ik weet alleen niet of dit de moeder van aller management waanideeen is – misschien wel de vader?

@ Jos Steynebrugh

Eerst afgeven op al die boeken over leiderschap, om dan vervolgens zelf met een puike definitie van leiderschap te komen.

“Ik kijk liever naar die managers, CEO’s of anderszins leidinggevenden waar mensen voor vliegen. Als je naar de eigenschappen van dat soort leiders kijkt vallen een paar dingen op zonder enquêtes met een steekproef oneindig en statistisch gepiel. Het zijn min of meer “gewone” mensen, die een voor de groep “goed verstaanbare taal” spreken, die rechtvaardig (is niet hetzelfde als slap) zijn als ze politiek bedrijven, die uitleggen waarom zus of zo gekozen moet worden. Die eerlijk zijn en hun woord houden, óók en juist DAN als de geweren worden doorgeladen.”

Als je door hebt dat het daar over gaat, is het toch helemaal geen slecht idee om dat eens op papier te zetten?

Sjoerd,
Ik ben het roerend met je eens, vandaar mijn reactie.

Groet,
Jos Steynebrugh
Change Enhancement, Zoetermeer

Verhalen over succesvolle ondernemingen en ondernemers kunnen uitermate boeiend en inspirerend zijn. Wat mij betreft gaat het mis wanneer auteurs op zoek gaan naar de heilige graal of, nog erger, denken die gevonden te hebben. Jim Collins bijvoorbeeld spreekt trots over zijn ‘tons of data’ die hij over succesvolle ondernemingen verzamelde. Onder het motto ‘let the data speak’ worden vervolgens de onderzoeksresultaten gepresenteerd. Dat moet dus wel waar zijn! Jammer alleen dat data niet spreken. Dat wordt echter moeiteloos gecompenseerd door het gemak waarmee mensen in willekeurig welke dataverzameling wel iets zien. Opmerkelijk is vooral hoe weinig auteurs zich door zo’n inductieve aanpak geremd voelen in hun pretentie.
Robert Bitter
LogicaCMG

[…] […]

Toon alle 11 reacties
x
x