Channels

 

Gupta Strategists is een onderzoeksbureautje in Schiedam dat actief is op het terrein van de gezondheidszorg. Half januari bracht het een dun maar opzienbarend rapport uit over de verpleging en verzorging van ouderen en gehandicapten in tehuizen of bij de patiënten thuis. In deze bedrijfstak gaat ruim dertien miljard euro gemeenschapsgeld om en zijn bijna 550 instellingen werkzaam. Die sector bestaat uit twee gescheiden werelden: de grote bedrijven en de kleine bedrijven. De ene helft (rond 250 instellingen) heeft een omzet van gemiddeld vijftig miljoen euro; de andere helft (300) van gemiddeld vier miljoen.

Klein maar fijn

Lees ook:

Hoe wordt de organisatie een gesmeerde machine?

De kleintjes doen het stukken beter dan de grote. Bij gelijke kosten realiseren zij meer groei, hogere winstmarges en betere kwaliteit van dienstverlening. De verschillen zijn enorm. Zouden de prestaties van de achterblijvers worden opgetrokken tot het niveau van de koplopers, dan zou de sector 2,8 miljard euro minder kosten – een besparing van meer dan twintig procent.

‘Klein maar fijn’ schrijven de Gupta-onderzoekers boven hun grafieken. Gupta baseerde deze conclusies op cijfers van 2008. Dat was nog voordat de zorgconglomeraten Espria en Meavita werden ontmanteld. En ook voordat Buurtzorg – een organisatie van lokale zorgteams van hooguit tien tot twaalf collega’s die samenwerken zonder baas – zich als een olievlek over het land verspreidde. De uitkomst van een vervolgonderzoek kan alleen maar zijn dat de prestatieverschillen tussen klein en groot in 2009 nóg groter zijn geworden.

Met groot in de boot

Niet de marktwerking is het kwaad, maar de manier waarop grote bedrijven en instellingen zich aan de tucht van de markt onttrekken. De tegenstelling markt – overheid is niet allesbepalend, maar de tegenstelling groot – klein. Zowel in de wereld van het bedrijfsleven als in de publieke sector.

In 1973 zetten twee boeken het denken in de economie op z’n kop. Van de Amerikaan John Kenneth Galbraith verscheen Economics and the public purpose. In de VS, aldus Galbraith, produceren duizend megaconcerns de helft van alle niet door de staat verschafte goederen en diensten. Hun macht is zó groot, dat zij alles naar hun hand kunnen zetten: prijzen, hoeveelheden, kwaliteit, overheidsregels. De andere helft wordt geleverd door twaalf miljoen kleine ondernemingen, die elke dag de harde concurrentie het hoofd moeten bieden.

Galbraiths vriend en collega Fritz Schumacher, een Britse econoom van Duitse afkomst, publiceerde een verzameling essays onder de beroemde titel Small is beautiful. Hij propageerde het ideaal van smallness in bigness: grote concerns moeten zich organiseren als verzamelingen kleine, zelfstandige bedrijven.

De rubriek ACTUEEL informeert u over recent verschenen berichten in andere media. Bij elke bijdrage vermelden wij de oorspronkelijke bron.
Bron: Kees Tamboer in Het Parool, 10-2-10

Kennisbank onderwerpen:

Kennisbank onderwerpen:

 

Reageer

Na het plaatsen kunt u uw reactie nog 30 minuten aanpassen.

Reacties

Helemaal eens. Met een kanttekening dan. Als het gaat om fysieke producten en als dat ook nog commodities zijn dan zijn er wel economies-of-scale. Maar in de dienstensector waar eigenlijk “lucht” wordt verkocht in diverse vormen ligt dat dus anders. Daarom is al lang geleden bv geconstateerd dat in de bankensector “operational excellence” om zuiver economische redenen geen strategie voor banken kan zijn.

De vraag is nog steeds zoals Ross Beth Moss Kanter al heel lang geleden schreef “When giants learn to dance?”.

Zoals we gisteren weer in het kamerdebat over de macht hebben kunnen zien geven mensen de macht niet gauw op en worden mensen die de macht niet hebben vaak gedreven door de wens om de macht te krijgen. Daarbij is het collectieve belang ver te zoeken.

Tony de Bree
http://www.positieftegengeluid.nl

x
x