Meer zelfcontrole, minder moeite

Cover stories

‘We willen de bron van de vijandelijke kracht aanvallen, maar we willen die kracht niet rechtstreeks aanvallen. We hebben natuurlijk een grotere kans op succes door onze sterktes te concentreren op een relatieve zwakte van de vijand. Dus vragen we onszelf ook af: waar is de vijand kwetsbaar? In slagveldterminologie betekent dit dat we over het algemeen zijn front moeten vermijden, waar zijn aandacht op gericht is en hij het sterkst is, en zijn flanken en achterkant moeten zoeken, waar hij ons niet verwacht en we de meeste psychologische schade kunnen aanrichten. Daarnaast moeten we toeslaan op een moment dat hij kwetsbaar is.’

Aldus de MCDP 1 Warfighting, de bijbel van het Amerikaanse Marine Corps. En ook bij het uitoefenen van zelfcontrole helpt het om niet alleen op pure kracht te vertrouwen, maar ook te zoeken naar de plek waar we met dezelfde kracht de grootste impact kunnen maken.

Vraag één groep rokers om te tellen hoeveel sigaretten ze opsteken en een andere groep om te tellen hoe vaak ze besluiten om niet te roken op een moment dat ze wel aan sigaretten denken. Welke groep zal het minste roken denk je? De groep die moet bijhouden hoe vaak ze roken, of de groep die moet bijhouden hoe vaak ze niet roken?

Gecontroleerde aandacht 

Om het antwoord op die vraag te vinden, moeten we terug naar de rol die gecontroleerde aandacht heeft in het sturen van ons gedrag.
In de jaren zeventig van de vorige eeuw publiceerden Charlotte Patterson en Bruce Carter een onderzoek naar zelfcontrole bij kinderen. In principe niets bijzonders, want sinds de beroemde Marshmallow Experimenten van Walter Mischel was zelfcontrole weer terug op de radar. Het ene na het andere experiment werd uitgevoerd om maar zoveel mogelijk te leren over de aard van ware zelfbeheersing. 

Net als Walter Mischel, maakten Patterson en Carter in hun experimenten gebruik van kinderen en uitgestelde beloningen, maar ze voerden wel een paar aanpassingen door. Waar Mischel tot de conclusie kwam dat het laten zien van de beloning ervoor zorgde dat de kinderen eerder onder de verleiding bezweken, voegden Patterson en Carter een klein, maar belangrijk, element toe aan het experiment. Een afleiding.

Terwijl de kinderen in Mischel’s experiment recht tegenover een heerlijke marshmallow zaten, zonder verdere afleiding, moesten de kinderen in het experiment van Patterson en Carter ervoor werken. En wat bleek? Zodra ervoor gewerkt moest worden, zorgde het laten zien van de beloning zelfs voor méér zelfcontrole! Hoe dat kan? Omdat het laten zien van de beloning de impulssterkte ervan vergroot, terwijl het verkrijgen ervan gekoppeld is aan het werk. Met andere woorden, het is de verleiding van de beloning die ervoor zorgt dat we minder op de moeilijkheden van het werk focussen en meer op de positieve uitkomst ervan. Terwijl kinderen die de beloning niet konden zien tijdens het werk al na gemiddeld 6,3 minuten opgaven, werkten de kinderen die de beloning in zicht hadden gemiddeld 14,6 minuten. Meer dan een verdubbeling.

Patterson’s onderzoek betekent niet dat we meteen het gehele salarissysteem van onze bedrijven om moeten gooien. Een jampotje met het salaris van de dag voor een medewerker op bureau zetten, heeft een ander effect dan de beloning uit het experiment met kinderen. Behalve dat geld een ander type beloning is dan speelgoed waar direct na het afronden van het werk mee gespeeld mag worden, is het werk dat we op volwassen leeftijd uitvoeren toch vaak anders dan het vullen van een tot vogel verkleedde pot met knikkers (het werk dat de kinderen moesten uitvoeren). Simpel, repetitief werk kan prima gedijen onder gecontroleerde motivatie, door een directe beloning aan te bieden. Zodra er enige creativiteit bij komt kijken zijn er echter betere oplossingen te bedenken. Gecontroleerde aandacht gaat immers ten koste van creativiteit. Hoe sterker onze aandacht gericht is, hoe minder ruimte er is voor nuttige afdwalingen.

Versterk en focus je aandacht

Wat hebben we aan het onderzoek van Patterson en Carter bij het beantwoorden van de vraag wie het meeste rookt? Is het de groep rokers die hun aandacht richt op alle sigaretten die ze gerookt hebben, of de groep die hun aandacht richt op alle keren dat ze niet gerookt hebben? Zoals mijn motorrij-instructeur altijd zei; de motor volgt je ogen. Kijkt je naar de stoeprand, dan beland je in de berm. Kijk je naar het punt waar je wil zijn, dan kom je daar aan. En hij had gelijk.

Iedere keer als we onze bewuste, gecontroleerde aandacht ergens op richten, heeft dat ook een invloed op onze automatische processen, gedachten en handelingen. Mijn ogen kunnen maar één kant op kijken, en terwijl ik de richting van mijn ogen bewust kies, stuurt de input vanuit mijn ogen zowel cognitieve, als automatische processen aan. Als ik door de bocht heen kijk, handel ik voor een groot gedeelte automatisch. Mijn lichaam wordt aangestuurd om de motor naar het punt van aandacht toe te brengen. Kijk ik angstig naar de vangrail, dan beland ik daar ook.

Door het laten zien van een beloning, of dat nu marshmallows zijn of een plaatje van speelgoed, wordt onze aandacht getrokken. Onze impulsen worden geactiveerd en versterkt. We moeten de beloning krijgen, en wel zo snel mogelijk! De tegenhanger hiervan, in onze prefrontale cortex, schreeuwt inmiddels de andere kant op: “Nee! Als we wachten, krijgen we een nog betere beloning!” Maar alleen schreeuwen is niet genoeg om de groeiende impulssterkte het hoofd te bieden. Willen we onze neiging om de beloning te grijpen stoppen, dan moet er ingegrepen worden. Dat kan door cognitieve herwaardering, door de marshmallow als een wolkje voor te stellen bijvoorbeeld, maar ook door te spelen met aandacht. Door ergens anders naar te kijken, door afleiding te zoeken. Of door onze aandacht ten positieve te gebruiken.

Zelfcontrole hoeft geen gevecht te zijn.

Onderdrukken van impulsen werkt zelden en kent vaak een hoge nevenschade. Vertrouwen op pure mentale kracht zorgt veelal voor een pyrrusoverwinning en heel hard proberen om in slaap te vallen zorgt ervoor dat we juist langer wakker blijven. We moeten onszelf niet bestrijden, maar gebruiken. Wetende wat de kracht van gecontroleerde aandacht is, kunnen we meesurfen op de positieve gevolgen ervan, in plaats van de negatieve proberen te bestrijden.

Terwijl Mischel ontdekte dat het laten zien van een beloning ervoor zorgde dat kinderen er eerder aan toe gaven, ontdekten Patterson en Carter dat je die vergrootte impulssterkte kunt gebruiken om een tussengelegen doel te halen. Iets dat op zichzelf zó saai is dat we het nooit uit onszelf zouden willen doen, wordt opeens met een ongeëvenaarde snelheid uitgevoerd. Alleen omdat het tussen ons en het einde van de bocht ligt.

We gaan daar naartoe, waar we onze aandacht op richten. Richt jezelf op het aantal sigaretten dat je rookt, en je gaat meer roken. Tel het aantal keren dat je niet gerookt hebt, en je rookt minder.

Edwin Zasada, consultant en auteur van ‘Over Wilskracht’. Voor een succesvolle verandering naar meer initiatief, daadkracht en innovatie

Meer over Gedragsverandering