Channels

De school wordt lamgelegd

Drie jaar geleden zocht ik de Amerikaanse socioloog Bowen Paulle voor het eerst op voor een artikel in NRC Handelsblad. Hij deed onderzoek voor zijn proefschrift op een vmbo-school in de Amsterdamse wijk de  Bijlmer die hij vergeleek met een achterstandsschool in de New Yorkse wijk de Bronx. Voor zijn onderzoek gaf hij in beide scholen meer dan twee jaar les, hij zat uren in de aula, woonde lessen van andere docenten bij en zocht leerlingen thuis op. Zijn voorlopige conclusie was toen dat er niet zo veel verschil was tussen die twee scholen.

Lees ook:

Waarom techneuten er vaak een puinhoop van maken

Het geweld in de Bronx was weliswaar heviger maar de mechanismen, zo concludeerde Bowen Paulle, waren hetzelfde: een minderheid van de leerlingen van de school betreft jongens en meisjes uit onstabiele gezinnen en zij leggen met hun storende en agressieve gedrag de school grotendeels lam. Gegrepen door zijn verhaal bood ik mij op dezelfde school aan om Nederlandse les te geven. Een derde klas had al een half jaar geen Nederlands gehad.  Ik nam mij voor om het een half jaar te doen maar hield het maar een paar weken vol. De helft van de klas was praktisch analfabeet. Alleen met voorlezen was de klas stil. Mijn angst overheerste en de leerlingen kregen inderdaad geen behoorlijke les.

Een minderheid verpest de boel

Nu drie jaar later ligt het proefschrift van Bowen Paulle er: ‘Angst en intimidatie in de Bronx en de Bijlmer, een etnografische studie tussen twee scholen’. Tot mijn grote verassing is er een paragraaf aan mijn werdegang gewijd. Maar Bowen Paulle beschrijft gelukkig meer. Hij schetst geen cliché van voortdurend geweld en chaos maar laat zien hoe achterstandsjongeren en hun leerkrachten zich handhaven in the urban jungle waar de school een onderdeel van is.

De kleine groep leerlingen die out of control zijn en de school in hun macht hebben bepalen wat cool is. Hij bestudeert hun lichaamshoudingen, hoe ze samen bewegen en voelen en hoe hard en tough ze zijn. Maar ook hoe deze jongens in een persoonlijk gesprek heel anders kunnen zijn en zeggen dat ze weg willen uit de chaos van de school en een beter leven willen. Maar een week later de verleiding van een beroving toch niet kunnen weerstaan.

Dan is er de grote groep die in de val zit maar ook soms meedoet. De meeste van hen willen echter gewoon graag hun diploma halen. En dan zijn er de zogenaamde nerds, die les willen hebben en zich ergeren aan de verstoorders van de orde in de klas.  Lessen die voor driekwart bestaan uit orde houden. Een ouder die een leerkracht in zijn schouder bijt. De vechtpartijen in de aula, zowel van jongens als van meisjes.

Maar Bowen Paulle beschrijft ook de collectieve emotie van energie en trots die door beide scholen golft als spontane muzieksessies ontstaan. Hij beschrijft de enkele succesvolle leerkrachten die klassen wel aankunnen omdat ze hun hele persoonlijkheid in de strijd gooien en zich geven voor de leerlingen. Bowen Paulle een dag voor zijn promotie bij hem thuis voor een interview: “Ik noem ze superteachers. Ik was zelf absoluut geen superteacher.  Maar zelfs voor deze superteachers is lesgeven op deze scholen zwaar, heel zwaar. Het sloopt je fysiek en geestelijk. En net zoals de leerkrachten verschijnselen van burn out vertonen, hebben de kinderen dat ook. Je ziet het aan hun gedrag en opgefokt zijn”.

Het is niet ras of kleur maar sociaal milieu

Paulle koos bewust voor scholen met overwegend leerlingen die als “zwart’ gedefinieerd worden. “In New York was het overgrote deel van de leerlingen van Afro-Amerikaanse afkomst. Daarnaast waren er West-Afrikaanse jongeren die vaak niet als zwart gedefinieerd worden totdat ze hun zachtheid kwijtraakten. Daarnaast waren er enkele jongeren met een latino achtergrond die wel als zwart werden geclassificeerd omdat zij geen Spaans maar Engels spraken. In Amsterdam waren de meeste jongeren van Surinaamse, Antilliaanse en Ghanese afkomst”.

Volgens Bowen Paulle waren op beide scholen veel ‘zwarte’ kinderen met  emotionele zelfbeheersing die niet agressief of ordeverstorend waren. Het waren de zogenaamde harde ‘zwarte’ jongeren die enorme emotionele gedragsproblemen hadden en die toegang hadden tot de meest meeslepende situaties in de school.  Bowen Paulle: “Ik betoog in mijn proefschrift dat in deze scholen ras of; kleur niet de dominante factor is. Het speelt wel een rol maar de sociale achtergrond van deze kinderen overheerst.

Veel van deze kinderen komen uit milieus waar chaos overheerst en samenhang ontbreekt. En juist deze groep leerlingen die reinheid, rust en regelmaat het hardst nodig heeft, stoppen we in scholen die bol staan van stress en angst. We praten steeds over waarden en normen en het belang van integratie maar tegelijkertijd weten we ook dat de school het laatste instituut in het leven van veel van deze leerlingen is dat nog iets ten goede zou kunnen keren. Maar beide scholen schoten daarin tekort”.

De school is hun laatste kans maar het schoolsysteem faalt

Maar, zegt Bowen Paulle, ook de rest van het schoolsysteem laat dit soort scholen in de steek. “De neutrale tot positieve rapporten van de Onderwijsinspecties van beide zijden van de oceaan kloppen niet. Over de school in de Bijlmer zijn de inspecteurs positief over het schoolklimaat. In vergelijking met wat en welke school? Of zijn deze scholen een categorie op zichzelf geworden die niet meer te vergelijken zijn met andere scholen? Wat voor invloed heeft het als je nauwelijks orde kan houden op de cijfers van deze kinderen?

Ik vrees dat vanwege hun methodes de Onderwijsinspectie geen antwoord op deze vragen heeft. Als ik het rapport over de school in de Bijlmer lees, moet ik tot de conclusie komen dat de Onderwijsinspectie teveel op de zelfrapportages van de school leunt. Ze kondigen hun bezoek aan en dan is de school opgeruimd en krijgen ze een voorbeeldles voorgeschoteld. Sociaal werkers in beide buurten weten wat er aan de hand is, de directies geven off the record toe dat de school niet werkt maar toch houden we met zijn allen zo’n systeem in stand”.

Spreiding op basis van etniciteit werkt niet

Volgen Bowen Paulle moeten we heel voorzichtig zijn met het grote en op etniciteit gebaseerde morele appel op desegregatie met dwang. ”Men kan wel roepen dat er op grond van etniciteit gespreid moeten worden maar dan wordt je weer teruggefloten door de rechterlijke macht. Je mag niet spreiden op etnische afkomst. En dat is gezien mijn onderzoek ook terecht. Ras zegt weinig over achterstand. Het gaat over de sociale achtergrond. Een school in de Verenigde Staten met alleen blanke kinderen uit een trailerpark is ook een chaos en daar sturen ouders uit de zwarte middenklasse ook hun kinderen niet naar toe”.

Maar er zijn volgens Bowen Paulle wel degelijk kleine oplossingen. “De afgelopen jaren zijn in de Verenigde Staten verschillende oplossingen naar boven gekomen. Zo is er de socioloog Richard Kahlenberg die betoogt dat de enige oplossing is dat kinderen uit achterstandsmilieus in scholen met voornamelijk middenklasse kinderen nog enige kans hebben. Hij stelt in zijn boek ‘All together now’ dat daar wel een grens aan zit: hooguit dertig procent achterstandskinderen tegenover zeventig procent middenklasse kinderen. Volgens Kahlenberg wordt in steden als Wisconsin en Milwaukee in de Verenigde Staten zijn programma al succesvol toegepast. Maar het succes zit hem in de vrijwilligheid.

Scholen niet dwingen en de etterbakken eruit

Scholen, leerlingen en ouders worden niet verplicht om hier aan mee te doen. Schooldirecteuren hebben zelf controle over het aantal achterstandsleerlingen, ze moeten kunnen zeggen dat ook tien procent de grens is. Daarnaast moeten ze leerlingen die zich misdragen snel en effectief kunnen verwijderen, ook de etterbakken uit de middenklasse gezinnen. Vergelijk dat met de situatie in Nederland. Wanneer scholen ‘verzwarten’ hebben de scholen daar geen invloed op. Dat overkomt ze. En dat ervaren scholen als een ramp. Scholen wringen zich in allerlei bochten om maar niet te verzwarten omdat ze daarmee de aantrekkingskracht voor de middenklasse leerlingen verliezen. In het plan van Kahlenberg hebben ze daarentegen  controle over het aantal kinderen dat ze binnen krijgen”.

Hetzelfde geldt volgens Bowen Paulle voor bussing. “In Nederland wordt bussing, het mengen van scholen door groepen leerlingen met de bus naar andere scholen te vervoeren, altijd afgeschreven omdat het in de Verenigde Staten is mislukt. Niets is minder waar. Ja, er zijn bussingprojecten geweest die in het nieuws kwamen en die kansarme blanke leerlingen naar zwarte binnenstad scholen vervoerden. Dat is inderdaad vragen om moeilijkheden. De televisiebeelden waren voorspelbaar: blanke onderklasse ouders die bussen in de fik steken.

Maar er is een bussingproject in Boston, METCO, dat al vijfendertig jaar bestaat en zeer succesvol is. En ook hier is het toverwoord vrijwilligheid. Zwarte achterstandskinderen uit de binnenstad van Boston gaan naar de blanke suburbs. Ze zitten soms urenlang in de bus en zijn vaak de enige zwarte leerling tussen blanke kinderen maar er is haast geen uitval. Kinderen van de kinderen, die als eerste aan METCO meededen, geven hun kinderen nu ook op. Ze hebben veel profijt gehad van de scholen waar wel orde en regelmaat heerst”.

Spreiden op taalachterstand is een eerste stap

“Het Nederlandse school systeem is te gesloten daar moeten we echts iets aan doen. Er is geen besef wat zich in deze scholen afspeelt. Alleen als je er zelf bent geweest, weet je wat daar gebeurt. We laten deze kinderen in de steek. Er is zogenaamde keuzevrijheid maar niet voor achterstandsleerlingen. Postcodegrenzen houden kinderen in achterstandsbuurten op achterstandsscholen die niet goed voor ze zijn. En als een kind naar een andere school gaat ligt dat vaak aan een vasthoudende ouder. Maar helaas hebben de meeste van deze kinderen niet zulke ouders.

Het voorstel van de Onderwijsraad van een paar weken terug, om leerlingen te spreiden op taalachterstand, snijdt meer hout. Het is een voorzichtige stap. Je scheidt niet meer op afkomst of kleur maar op achterstand. Nu komt de volgende stap en dat is dat de overheid, gemeentes, scholen en schoolbesturen dit commitment zullen moeten maken om hier aan mee te werken. Een taak van de wetenschap is om dit te onderzoeken en te kijken onder welke gunstige omstandigheden spreiding van achterstandskinderen mogelijk is. Alle disciplines van onderwijsonderzoek, kwantitatief en kwalitatief moeten de handen ineen slaan.  Ik zou bijvoorbeeld wat er in Rotterdam gaat gebeuren met dubbele wachtlijsten van kinderen met en zonder taalachterstand graag gestaafd zien in cijfers en verder onderzocht aan de hand van directe observaties”.

Dit is een uitgebreidere versie van een tekst, eerder in 2005 verschenen in NRC/Handelsblad.

Anxiety and intimidation in the Bronx and the Bijlmer, an ethnographic comparison of two schools, Bowen Paulle, Dutch University Press.  ISBN 90 3619 332 X www.dup.nl
Andere bijdragen over de verloedering van de publieke ruimte:
Helpen normen en waarden?
Interview met Bowen Paulle
Hans van der Linden
Waar komt agressie in scholen vandaan, wat zijn de effecten en wat is er aan te doen?

Eigentijdse drama’s
Hoe kwaliteit uit de publieke sector wordt geperst
Marc Oskam
Moderne management systemen werken soms contraproductief. Toewijding en vakmanschap gaan verloren. Dit geldt vooral in de publieke sector zoals gezondheidszorg, politieorganisaties en scholen.

Kennisbank onderwerpen:

Kennisbank onderwerpen:

 

Reageer

Na het plaatsen kunt u uw reactie nog 30 minuten aanpassen.

Reacties

Beste mw. Vink,

Het oorspronkelijke artikel las ik ook, ik reageerde er zelfs op en mijn mening is na al die tijd niet veranderd: m.i. worden er nl. ‘appels met peren vergeleken’. De Amerikaanse cultuur verschilt hemelsbreed met de Europese (nb: ik zeg bewust ‘Europese’ omdat ‘Nederlandse’ feitelijk al op zijn retour is). In de Verenigde Staten zijn er niet alleen detectiepoortjes in scholen maar ook hele ‘upperclass’ wijken met privébewaking. Misschien is het nog maar een kwestie van tijd voordat dit ‘overwaait’ (hier naar toe, bedoel ik) maar m.i. kennen lang niet alle scholen aan deze zijde van de oceaan de problemen die u c.q. Paulle schetst.

Duidelijk zichtbaar is, helaas, wel dat de arbeidskwalificaties hier in Europa, maar m.n. in Nederland, van nagenoeg alle afgestudeerden, ‘van hoog tot laag’, schrijnend achterblijven bij de wensen / behoeften van bedrijven.
Daar wrikt m.i. de schoen en iedere andere discussie leidt daar helaas van af.
Onvrede binnen en met het onderwijs, hoe betrokken de medewerkers ook zijn(!), leidt ongetwijfeld tot spanningen tussen betrokkenen binnen ditzelfde onderwijs, ook leerlingen, en da’s jammer.

Het lijkt mij raadzaam dat je de wortel van de appel- / perenboom aanpakt als je meer wilt oogsten maar niet de reeds geoogste appels en peren.

Willem Scheepers
Organisatie Ontwikkelaar.

Mijn idee is dat er een scala aan tussenmanagers is ontstaan, die vreselijk veel geld kosten.
Mijn idee is dat dit tussenmanagement net zo goed afwezig kan zijn.
Mijn idee is ook dat je als leraar eveneens net zo goed afwezig kan zijn – of althans er wenig van kennisoverdracht terecht komt en de te grote klassen op zich al probleemleerlingen kweken – zodat ik al die drukte over lesuitval gewoon niet begrijp.
Mijn idee is dat het begin van de oplossing niet is allerlei leuke experimenten (zoals Iederwijs of Impulse of weet ik wat voor leuk projektje) maar directe verlaging van de grootte van de klassen naar maximaal 15 leerlingen.
En dan het tussenmanagement afschaffen en inzetten in gewoon hun oude functie van leraar.
Daarnaast moeten raddraaiers niet geduld worden in die klassen zolang ze de situatie ondermijnen. Daar moet extra mankracht op gezet worden.
Dan kost het maar wat.
Zoals het nu gaat kweek je gewoon toekomstige criminelen en tbS’-ers. Alsof dat geen geld kost.
Begin met investeren in het onderwijs en andere sectoren kunnen geld inleveren. Goedenavond. Petra Rombouts.

Het is goed dat dit soort artikelen gepubliceerd worden, ook in management publicaties.

Het is jammer dat zowel dhr. Paulle als mw. Vink maar halve informatie heeft of presenteert.

Uit onderzoek uit de jaren zestig is al gebleken dat structuur op alle onderwijs- en sociale gebieden van belang is voor effectief onderwijs. Het onderzoek van dhr. Paulle bevestigt dit maar weer eens. Dat het niet lukt om het georganiseerd te krijgen in het voordeel van de minderbedeelden heeft vooral te maken met hun invloed, bekendheid en percentuele omvang binnen de gehele groep van leerlingen. Een andere invloed die het oplossen van dergelijke problemen verstoort is de houding van het onderwijssysteem ten opzichte van externe hulp. En een derde oorzaak ligt in het huidige management model dat de overheid hanteert voor het onderwijs, een model dat sterk lijkt op de modellen van Taylor en Fayol. En ook het veranderen van dit model wordt gehinderd door de houding binnen de overheid het zelf te moeten oplossen.

In zekere zin zijn de problemen in het onderwijs dan ook niets anders dan symptomen van een systeem dat zieker is, dan het voor zichzelf wil toegeven.

Daarom is het goed, dat dit soort artikelen ook hier gepubliceerd worden, want de probleemgevallen en problemen in het onderwijs zijn een voorbode van wat er later op de werkvloer en in onze sociale vangnetten zal gebeuren of kan gebeuren als we niets doen.

Overigens een korte positieve opmerking. Het gaat hier sinds jaren om zo’n 35% van alle leerlingen, waarvan een deel uiteindelijk wel terecht komt. Maar dat er iets aan gedaan moet worden staat buiten kijf, al was het alleen maar om te bewijzen dat Nederland een beschaafd land is.

x
x