Er is geen woord te bedenken waaraan zoveel lippendienst wordt bewezen als ‘innovatie’; door politici, ambtenaren, bestuurders, managers, consultants, columnisten, goeroes en zelfs grafdelvers. Als het niet allemaal losse flodders waren zou je ermee dood gegooid worden, maar toegegeven, het heeft zijn nut zo nu en dan. Alles is ermee besmet behalve één vakgebied en toevallig uitgerekend het mijne. Ik ben topvoetbalkeeper en ik heb een probleem: ik word gedwongen om ‘mee te voetballen’. Dat kan ik niet en dat wil ik eigenlijk ook niet maar ik moet. Ik word er dag-in-dag-uit op aangesproken en ik meevoetbal me suf, want het is wel m’n brood.

Ik verdien goed, veel zelfs vind ik zelf. Mijn broodheer is een Europese topclub en mijn trainer is een legende in zijn land. Alleen, hij had zijn glorietijd zo’n dertig jaar geleden, rond de tijd dat ik geboren werd. In zijn tijd begon de opvatting dat de keeper moest meevoetballen ingang te vinden. Uitvinder was Johan Cruyff en omdat dat een begenadigd voetballer was moest hij natuurlijk ook wel verstand van meevoetballende keepers hebben. In het voetbalwereldje praat iedereen elkaar na of tegen en in het geval van keepers was het na. Keepers zijn toch maar ‘clowns in een mal pakje. Schlemielen’, zoals Jan Mulder, ook zo’n notoire keeperhater, het eens uitdrukte in een boekwerkje. Sluipenderwijs werden de spelregels aan het Nieuwe Keepen aangepast met wat mij betreft als absoluut dieptepunt het verbod om bij een terugspeelbal de bal met de handen op te pakken. Dat was al voor mijn tijd maar ik heb het altijd stupide gevonden. Ik had nog liever gehad dat ze de terugspeelbal zelf hadden verboden op straffe van een penalty. Zo’n godsgruwelijke hekel heb ik aan die verkrampte voetzoekerij. Ik ben nu zelf in de dertig, het einde van mijn actieve keeperloopbaan komt in zicht en ik raak steeds meer in de knoei met mijn inzicht. De obligate analyses van wedstrijden doe ik in mijn eentje thuis nog eens dunnetjes over. Dan zie ik mezelf dingen doen waarvan ik weet dat kan veel effectiever of dat had ik beter kunnen laten. En niet een paar dingen maar een hele bups. Ik heb ze verzameld in een schriftje en op dvd. Bespottelijk vind ik mijn eigen optreden soms, maar de trainer wil het en dus doe ik het.

Een jaar of vier geleden heb ik mijn trainer eens gevraagd te komen kijken naar mijn montage. Ik heb me beperkt tot vier technische thema’s waar ik graag wat innovatiever mee om zou willen gaan. Hij snapte er niets van of wilde het niet snappen. Keeperstrainers opereren in de marge. Bij de training worden wij op een gegeven moment steevast door de hoofdcoach naar een hoekje van het veld verwezen om wat aan te rotzooien, maar in wedstrijden moeten we er wel helemaal zijn voor het team. Ja hoor, jij je zin, denk ik dan. Enfin, dat ik mezelf analyseerde was volgens de trainer-legende een hele goede zaak als ik het maar uit mijn hoofd liet om in het echt te gaan experimenteren met mijn ‘inzichten’. Hij was de expert, ik was zijn ‘product’. Ik liet hem maar in die waan en koos eieren voor mijn geld. Zo werd ik een meester in het verbergen van mijn werkelijke kunnen. Ik zou zeker 75% meer ballen kunnen stoppen maar ik doe het niet. Ik speel de meevoetballende keeper en laat heel af en toe zien hoe het werkelijk moet. Dat heeft niemand in de gaten en daar put ik dan voldoening uit. Ziehier de reden dat je mij week-in-week-uit met veel te wijd gespreide benen ziet anticiperen op een vijandig schot, mij in het doelgebied heen en weer ziet bewegen als een opgejaagd haas en als een aanvaller aanlegt voor een schot kunt zien dat ik al opspring voordat er geschoten is, zodat ik geheid een fractie van een seconde te laat ben met mijn afzet of op het verkeerde been terechtkom. Oh ja, je moet eens opletten hoe vaak ik bij een doelpunt machteloos op mijn rug lig met mijn voeten veldwaarts, dus van de bal afgewend. Allemaal het gevolg van aangeleerde technieken waar een verdediger misschien iets aan heeft maar die voor een echte keeper rampzalig zijn. Mijn handen jeuken om er iets aan te doen. Het ergste nog vind ik die gelegenheden waarbij ik namens de sponsor van mijn handschoenen talentjes die ervan dromen om topkeeper te worden moet afleren wat ze van nature tot goede keepers zou maken. Als ik dan mijn trainer of een andere godheid in het voetbal voor de camera’s weer eens hoor zemelen over innovatief counteren en hergroeperen als collectief word ik lichtelijk onpasselijk. Het is zum Kotzen, maar ik hou mijn mond. En dat ik Sartre’s lofzang op de keeper in mijn boekenkast heb staan komt al helemaal niemand te weten.

Kennisbank onderwerpen:

Kennisbank onderwerpen:

 

Reageer

Na het plaatsen kunt u uw reactie nog 30 minuten aanpassen.

x
x