Channels

Lang leve de onkruidstrategie!

Recentelijk verscheen een opiniërend artikel op Managementsite van Pieter Klaas Jagersma onder de titel “BV Nederland verstrikt in Economische Zone des Doods”. De kern van zijn betoog: Nederland is teveel afhankelijk van volwassen bedrijfstakken waar op prijs (lees: kosten) wordt geconcurreerd en waar “we” worden verslagen door opkomende Aziatische giganten. Jagersma doelt daarmee vooral op de traditionele maakindustrie. Hij pleit voor ‘een door sterk leiderschap gevoede nationale economische visie’, maar ziet met lede ogen aan dat de vaderlandse politiek er bij staat te kijken en verder niets doet.

Een voorbeeld van internationale concurrentiedruk in volwassen markten:
Kimberly-Clark en SCA schrappen banenZowel het Amerikaanse Kimberly-Clark als het Zweedse SCA hebben aangekondigd vele duizenden banen te schrappen als gevolg van voortdurende prijsdruk in de markten voor luiers en tissues. Bij Kimberly-Clark gaat het om zesduizend banen (10% van het totaal) en de sluiting van 20 fabrieken. Het bezuinigingsplan van SCA is nog niet openbaar. Eerder schrapte SCA al tweeduizend banen en verplaatste het productie naar lagelonenlanden als Slowakije. SCA heeft een productievesiging in Hoogezand, waar 150 banen dreigen te verdwijnen.FD 22 juli 2005, “Tissuefabrikant SCA saneert verder”
FD 23 juli 2005, “Kimberly-Clark schrapt 6000 banen”

Het artikel van Jagersma is het zoveelste in een reeks van bijdragen in vakbladen en kranten over verlies van concurrentiekracht, uitbesteding en offshoring. Regelmatig horen wij geluiden over het verdwijnen van industriële sectoren uit Nederland als gevolg van de globaliseringsgolf. Zit er een kern van waarheid in deze beweringen? En als dat zo is: staat de Nederlandse industrie machteloos tegenover dit geweld?

Slaap zacht, Nederland …

Eerst maar eens een paar feiten: zien we een uittocht van industriële productie en werkgelegenheid uit Nederland? Zorgt prijsdruk voor het massale vertrek van werk naar Oost-Europa en Azië? Om op deze vraag een antwoord te kunnen geven zijn er in de laatste jaren een aantal onderzoeken uitgevoerd naar de effecten van de verplaatsing van bedrijfsactiviteiten van Nederland naar het (verre) buitenland. Zo heeft het ministerie van Economische Zaken recentelijk een notitie uitgebracht onder de titel “Vision on relocation. The nature, extent and effects of relocating business activities”.  Deze notitie is grotendeels gebaseerd op twee onderzoeken die het ministerie heeft laten uitvoeren door respectievelijk het adviesbureau Berenschot en het CPB.

Jachtenbouw: Ontsnappen aan concurrentiedruk door differentiatieIn de Nederlandse watersportindustrie werken ongeveer 30.000 mensen in 4.000 bedrijven. Ongeveer € 1 miljard van de totale € 2,5 miljard aan omzet in deze sector wordt gerealiseerd door jachtenbouw. Hiervan is weer € 700 miljoen afkomstig van de bouw van jachten in het luxe topsegment (langer dan 24 meter). De bouwers van deze “superjachten” hebben een ongekende wereldwijde reputatie opgebouwd die hen een wereldwijd marktaandeel van 12% en een verdedigbaar concurrentieel voordeel oplevert. Hierdoor zijn zij ontnapt aan de prijsdruk in het midden- en lagere segment van de jachtenbouw.NRC 24 juni 2005, “Jachtbouw voor lastige keuze”

Het ministerie schetst een nogal rooskleurig beeld over de omvang en de implicaties van verplaatsing van bedrijfsactiviteiten. Zo concludeert het ministerie dat de totale omvang het verplaatsingsfenomeen zeer beperkt is. De overgrote meerderheid (84%) van de ondervraagde bedrijven heeft in het verleden geen activiteiten verplaatst, en is dat ook in de toekomst niet van plan om te doen. ‘Slechts’ 6% van de ondervraagde ondernemingen is van plan om binnen één jaar een (deel van) haar activiteiten verplaatsen naar het buitenland, meestal naar Centraal/Oost-Europa of West/Zuid-Europa (en dus minder vaak naar Azië, al is het aandeel van Aziatische landen wel stijgende). Berenschot heeft berekend dat het verlies aan banen als gevolg van verplaatsing niet meer is dan zo’n 9.000 per jaar. In de industriële sectoren zou het vooral gaan om laagbetaalde arbeid, terwijl in sectoren zoals ICT vooral hoogbetaalde arbeid wordt verplaatst. Daar staat tegenover dat de toename van banen als gevolg van de verplaatsing van activiteiten van het buitenland naar Nederland toe niet is meegenomen in het onderzoek, maar naar verwachting ook in de duizenden per jaar zal lopen. Bovendien denkt het ministerie dat Nederlandse bedrijven door het verplaatsen van activiteiten verder banenverlies in Nederland hebben weten te voorkomen.

Internationale dynamiek

De onderzoekers van Economische Zaken stellen opgelucht vast dat de wereldwijde herschikking van bedrijfsactiviteiten een natuurlijk proces is in een dynamische wereldeconomie. Daar waar de industriële activiteit verdwijnt, komt geld los om te investeren in nieuwe en opkomende sectoren. De opstellers van de notitie schrijven “It is a process that, in a macro-economic sense, has no losers. Countries focus on those activities in which they find their strength. This way they increase their competitive power. This process also generates growth and therefore increased buying power […]. This […] provides new markets from which Dutch companies […] can benefit equally”.

Lees ook:

Met kleurentests de samenwerking in teams verbeteren? Helaas...!

De conclusies van Economische Zaken lijken ondersteund te worden door de statistieken van werkgeversorganisatie FME-CWM. De metaal- en elektrotechnische industrie wordt algemeen beschouwd als één van de voorlopers op het gebied van uitbesteding en de ontwikkeling van kop-staart bedrijven. Een sector bovendien met (nog steeds!) een groot aandeel vakarbeiders, die in landen als Roemenië, Tsjechië en Polen per uur vijf tot tien keer goedkoper zijn dan hier. In deze bedrijfstak is de werkgelegenheid tussen 1996 en 2002 gestabiliseerd op zo’n 290.000 werknemers. In dezelfde periode nam de omzet van bedrijven in deze sector toe van € 38,6 miljard naar € 48,3 miljard (+25%). Het aandeel export in de omzet is ondertussen onveranderd hoog gebleven op 57%. Het is dus niet zo dat deze sector aan het verdwijnen is of wordt weggevaagd door buitenlandse concurrenten!

Toegegeven, het ging hier om een tijdvak met stevige nationale en internationale economische groei. Maar het is ook de periode waarin de uittocht van activiteiten naar Oost-Europa en de opkomende Aziatische landen goed op gang kwam en veel (ondersteunende) werkzaamheden en masse werden uitbesteed aan dienstverleners in de nabije omgeving.

Klassieke assemblage door vergaande automatisering toch mogelijk?
Groeispurt voor AirsprayDat assemblage en productie in deze slechte economische tijden nog steeds mogelijk is bewijst het beursgenoteerde Airspray, een fabrikant van handpompjes voor zeep en shampoos. Het bedrijf kondigde begin juli aan de productiecapaciteit in Nederland en de Verenigde Staten uit te breiden na de ontvangst van grote orders van Procter & Gamble. Het bedrijf denkt de eerder uitgesproken verwachting dat omzet en winst dit jaar met 15% zullen stijgen bovenwaarts te kunnen bijstellen.FD 7 juli 2005, “Airspray breidt productie uit”

Wakker worden!

Wat is nu de conclusie die we kunnen trekken uit de notitie van het ministerie van Economische Zaken. Kunnen we weer rustig gaan slapen? Mijns inziens niet! Waar Economische Zaken en andere onderzoeken in dit veld de plank misslaan is een miskenning van het feit dat het grootste deel van het verplaatsingsproces sluipenderwijs en onzichtbaar voor statistieken plaatsvindt: de grote klap moet nog komen.

Van belang in dit kader is ook het recente onderzoek van Boer & Croon. Zij stellen vast dat het internationale bedrijfsleven steeds meer onthecht raakt van Nederland. Dat is niet alleen te zien aan de steeds internationaler wordende bestuurskamers (het percentage Nederlanders is nog maar 56%!) maar ook aan de eigendomsverhoudingen (twee derde van de Nederlandse beursfondsen is in meerderheid in handen van buitenlanders). Willem van der Schoot (voorzitter van het bestuur van Boer & Croon Strategy & Management Group) waarschuwde onlangs in het FD dat multinationals uit Nederland zouden vertrekken, met de nodige economische nadelen van dien. Hij wil meer aandacht voor dit probleem vanuit de Nederlandse overheid.

Ik sluit me in grote lijnen aan bij de conclusies van Jagersma en Van der Sloot. Ik ben echter niet van mening dat hier alle heil verwacht mag worden in een nieuwe economische visie vanuit de overheid. Het beleid van de politiek is daarvoor te wispelturig en meer gebaseerd op de publieke opinie dan op economische rationaliteit. Het zit ‘m wat mij betreft niet alleen in een slapende overheid, maar vooral ook in de houding van het management van de bedrijven zelf. Kortom: actie van onderop!

Gebruik maken van eigen kerncompetenties:
Accell winstgevend ondanks grootschalige import van fietsen uit ChinaFietsenfabrikant Accell (met merken als Batavus, Sparta, Koga-Miyata) heeft in het eerste halfjaar van 2005 een stijging van de winst en het netto resultaat gerealiseerd. Het Heerenveense bedrijf wist tegen de stroom van de conjunctuur in te roeien door zich meer op het midden- en topsegment van de markt te richten. Op deze markten zijn innovatie en differentiatie belangrijker dan prijs. Accell probeert daarnaast zijn markt te verbreden door bijvoorbeeld het aanbieden van ‘custom-made’ fietsen in Duitsland en het aanbieden van fitness-apparatuur.FD 22 juli 2005, “Vraag naar luxe fietsen stuwt winst Accell”

Onkruidstrategie

In de praktijk zie je vaak het volgende gebeuren. Nederlandse industriële bedrijven zijn meestel werkmaatschappijen (‘sourcing units’) van een (buitenlandse) multinational. De fabriek van SCA in Hoogezand (zie de “box” in de inleiding) is een goed voorbeeld van zo’n werkmaatschappij. Vanwege (loonkosten)kostenvoordelen zijn deze multinationals aan het einde van de jaren negentig en aan het begin van de jaren 2000 begonnen met het openen zusterbedrijven in Oost-Europa en in Azië. Deze moderne fabrieken in regio’s met een goed opgeleid en goedkoop arbeidspotentieel hebben vervolgens enkele jaren de tijd nodig om ‘op stoom te komen’. Naarmate de vestigingen in lage kosten-landen volwassener worden wordt er meer en meer productievolume en kennis overgezet . De opstart van nieuwe producten wordt ook alvast in deze landen gedaan. De volgende stap is het opbouwen van technologische en proceskennis. Nieuwe technologische toepassingen kunnen immers niet meer vanuit de vroegere “moederfabriek” in Nederland worden gedaan, omdat de noodzakelijke productie-ervaring begint te vervagen. In de Nederlandse werkmaatschappij wordt nauwelijks meer geïnvesteerd en er wordt alles aan gedaan om het laatste vet uit de organisatie te persen. De aandacht ligt niet op opbrengstvergroting, maar op kostenverlaging. We moeten immers concurrerend blijven!

Wat overblijft is een uitgeholde organisatie die uiteindelijk ook niet meer op aspecten als kwaliteit en logistiek kan concurreren met de buitenlandse evenknie, laat staan uitblinken op productinnovatie. De aandeelhouder vaart er intussen wel bij! En waarom zouden zij nog geld steken in een nieuw perspectief voor de uitgemergelde Nederlandse vestiging? Op deze manier leiden de door hun bazen in het buitenland aangestelde Nederlandse managers van werkmaatschappijen hun organisatie langzaam maar zeker naar de slachtbank. En dat is zonde: want zo gaat werkgelegenheid onnodig snel verloren en worden waardevolle regionale netweken afgebroken. De gevolgen voor de Nederlandse economie zijn onmiskenbaar: activiteiten met een lage toegevoegde waarde verdwijnen, zonder dat er activiteiten met een hoge toegevoegde waarde voor in de plaats komen!

Dit verhaal is niet nieuw. Deze dynamiek is al eens treffend besproken door Arjan van Witteloostuijn in zijn boek “Anorexiastrategie”. Resultaat: roofbouw op onze samenleving. Hoe kunnen we deze neerwaartse spiraal keren? De crux van dit verhaal zit ‘m niet alleen in de opstelling van de overheid. Het ondernemersklimaat in Nederland gaat weliswaar achteruit, maar is over het algemeen nog in orde. Wat we missen is de wil, de creativiteit en de intelligentie in de bedrijven zelf om op tijd (!) de nodige maatregelen te nemen. Mogen we van de overheid of multinationals verwachten dat zij onze vijf-voor-twaalf bedrijven weer opnieuw leven inblazen? Hebben we genoeg aan ‘een door sterk leiderschap gevoede nationale economische visie’ zoals Jagersma bepleit?

Het antwoord lijkt me duidelijk: Neen. In aanvulling op een grondige nationale visie en initiatieven op sectorniveau pleit ik voor een strategie van onderop, vanuit de werkmaatschappijen zelf. Laten we het onkruidstrategie noemen: slimmer werken, slimmer investeren, de aanwezige kennis aanboren, leren van succesvolle bedrijven om ons heen en regionale en technologische samenwerkingsverbanden aangaan. Kortom: innoverende organisatieconcepten die kunnen zorgen voor nieuw elan, als het even kan ook buiten de context van het huidige concern. Managers ontwaakt! Zoek naar nieuwe en onverkende paden, in plaats van door te gaan op de bekende doodlopende weg. Alléén op deze manier kunnen we voorkomen dat er onnodig vele banen verloren gaan, zonder dat er iets voor in de plaats komt.

Een nieuwe toekomst door innovatief leiderschap:
Méér dan een simulatie bij FCSHet Nederlandse FCS, een oud onderdeel van Fokker en gevestigd op Schiphol, wordt mogelijk verkocht aan het Amerikaanse Moog Inc. FCS bouwt apparatuur voor vlucht- en voertuigsimulatie. De onderneming (100 werknemers, in 2005 een omzet van tussen € 25 en € 30 miloen) kwam zes jaar geleden los van Fokker via een management-buy-out door zes ingenieurs. Het bedrijf is zeer winstgevend en levert zijn systemen o.a. aan Boeing, Airbus, Lockheed en Volkswagen.Bron: FD 7 juli 2005, “Technologiebedrijf FCS in gesprek over verkoop”

Utopia ?

Het pad van de onkruidstrategie is niet voor alle bedrijven weggelegd. Soms ontbreken eenvoudigweg de noodzakelijke randvoorwaarden, zoals geld, menskracht en (heel belangrijk!) de nodige vrijheidsgraden om zelfstandig ‘te ondernemen’. Ik ben er echter van overtuigd dat er vaak meer mogelijk is dan op het eerste gezicht zou lijken. Laten we dus maximaal gebruik maken van de handelsgeest en de inventiviteit waar ons land bekend om staat.

Ik geloof niet in het doemscenario dat alle industrie uit ons land zal verdwijnen volgens een wetmatig en zich versnellend proces. Maar ik geloof evenmin in het sprookjesverhaal dat alles ‘vanzelf weer goed komt’, zoals doorklinkt in de aangehaalde notitie van het ministerie van Economische Zaken. Er is werk aan de winkel en de omschakeling gaat niet vanzelf!

Bent u manager in een industriële omgeving, denk dan eens na over de volgende vragen:

  • ligt de nadruk in mijn bedrijf op vervangingsinvesteringen of op uitbreidingsinvesteringen?
  • zijn verbetervoorstellen in mijn bedrijf gericht op kostenverlaging of opbrengstvergroting?
  • hoe veel tijd en geld investeer ik in organisatie-innovatie?
  • wat zijn de kansen dat dit bedrijf over vijf jaar nog bestaat?
  • … en zijn we dan gegroeid of gekrompen?
  • wat zou ik vandaag doen als dit mijn eigen bedrijf was?

Misschien eens iets om in uw management team te bespreken? Gaarne nodig ik de lezers van ManagementSite uit om in de interactieve ruimte bij dit artikel te reageren met eigen ervaringen en ideeen.

Slimme organisatieconcepten? Eerder in ManagementSite:
Hoe prestatiegedreven zijn Nederlandse organisaties?
Arend Ardon  en André de Waal
Mooie systemen blijken geen garantie voor succes. Systemen en structuren worden steeds ingenieuzer maar gedrag en houding om ermee te werken stagneren. Hoe kunnen we hieraan ontsnappen.

Combating Short-Termism – and Managing for the Long Run
Danny Miller,  Isabelle Le Breton-Miller
Why the continuous out-performance of some companies?  A summary of a recent book: “Managing for the Long Run” (Harvard Business School Press, 2005).

Edwin Lambregts werkt als managing consultant bij Berenschot en is initiatiefnemer van InnovatiefOrganiseren.nl

Bronnen:

  • FME-CWM, “Key figures metal and electotechnical industry 2003”, www.fme.nl
  • Pieter Klaas Jagersma, “BV Nederland verstrikt in Economische Zone des Doods”, juli 2005, www.managementsite.net
  • Ministerie van Economische Zaken, ““Vision on relocation. The nature, extent and effects of relocating business activities”, januari 2005, www.minez.nl
  • Arjen van Witteloostuijn, De anorexiastrategie, Arbeiderspers, 1999
  • FD, 6 juli 2005, “Overheid, koester grote bedrijven”

Kennisbank onderwerpen:

Kennisbank onderwerpen:

 

Reageer

Na het plaatsen kunt u uw reactie nog 30 minuten aanpassen.

Reacties

Hoe dan ook het is een proces die wij niet kunnen stoppen, hooguit kunnen beinvloeden en bijsturen. En vind dus wel de overheid wanneer ze iets moeten doen het niet doen. Dus een vorm van werkgelegenheidsbescherming.

Laten we a.u.b. kennis en hele mooie bedrijven behouden. Bedoel niet dat alles moet blijven zo als het is. Nee het gaat zo als het gaat, maar zorg dat je als overheid en ondernemers wel invloed houd. We hebben prachtige efficiente bedrijven met veel kennis en ondernemers die weten wat ze willen. Het management is een waardevolle bron van informatie waar ondernemers beter moeten leren naar te luisteren. Dus de vragen zoals boven inderdaad bespreken met je mensen. Ze weten vaak heel goed waar verbeteringen mogelijk zijn.

In mijn werk als interim manager voor de industrie is het allemaal zeer herkenbaar en probeer mijn bijdrage te leveren.

Eens met de strekking van het verhaal. de afsluiting (vragen aan de manager) vindt ik persoonlijk zeer sterk. Ik moet denken aan een boek dat ik momenteel aan het lezen ben: “Megatrends Nederland” (A. Bakas). Hierin wordt voorspeld dat Nederland gedurende deze eeuw een “Slaapland” wordt. Typologie: gemiddelde welvaart, economisch hoogtepunt in het verleden, stabiel maar vergrijst, niet innovatief, excelleren in geen enkel opzicht, … renteniersnatie. Behalve het verminderde innovatieve ondernemerschap krijgen we (aldus Bakas) ook te maken met toenemende vergrijzing en een op reeds vergaarde luxe “achterover hangende” arbeidskern. Wat nodig is een flinke schop onder de kont voor de jeugd en alle huidige managers van Nederland. En de overheid? Die zou zich van dit alles bewust moeten zijn!

Dhr. Lambregts heeft met deze column wederom een sterk staaltje van inzicht in en visie op onze economie getoond. De term ‘Onkruitstrategie’ vind ik echter een negatieve klank hebben terwijl hij deze strategie juist positief uitlegt. Wellicht is de term ‘Bottom up-strategie’ beter? Overigens kan ik mij goed vinden in deze strategie. Maar ik denk dat een oplossing eerder schuilt in een combinatie van alle strategieen, waarbij flexibiliteit van het management om snel van strategie te (durven) wisselen, van levensbelang is.

M.A. Sebus
Rotterdam

Ondernemingen zijn niet alleen economisch, maar ook
sociaal en maatschapplijk verantwoordelijk.

Innoverende innovatie is de motor van de economie

http://www.strategos.nl

sux6

Prima waarneming maar wat volgens mij door u, en anderen op dit onderwerp, wordt vergeten is dat we inmiddels niet meer in Nederland maar in Europa leven. Je hoeft niet eens zover over de grens te gaan om te zien dat een (grootschalig) agrarisch bedrijf in, bijv., Frankrijk vele malen rendabeler is dan een (noodgedwongen) kleinschalige Nederlandse collega. Waarschijnlijk geldt dito uitdaging ook voor veel andere sectoren. Inmiddels horen lage-lonen-landen ook tot de EG en is het verplaatsen van productie binnen de EG naar die regios eerder regel dan uitzondering (het is zelfs nog maar de vraag of het verstandig is als je dit niet doet….).

Intra- en multinationals banen de internationale paden; een voorbeeld: één van de Nederlandse grootbanken verplaatste haar telecenter naar Zuid Afrika (lagere lonen & men praat daar tenslotte ook Nederdiets) en haar effectencenter naar India (lage lonen in combinatie met hoge kennis én: veel voordelinger dan die mensen hier naar toe te vliegen).

Nederland raakt achterop, daar kun je je ogen niet voorsluiten 3 ‘eenvoudige’ voorbeelden: door alle hectiek worden medewerkers in de ons omringende landen als klantvriendelijker ervaren dan hun Nederlandse collegae; de bevolkingsaanwas in Nederland bedraagt dit jaar 8.000 personen, net zoveel als in 1920; de arbeidskwalificaties van de equivalent van VMBO schoolverlaters in België en Duitsland zijn hoger da die van Nederlandse VMBO stucenten. Gedrieën leiden er m.i. (en helaas) toe dat bedrijven wel dienen te ‘vluchten’ want de Nederlandse ‘grondstoffen’ zijn kwalitatief lager, willen ze continuïteit voor zichzelf garanderen.

Er is dus wel degenlijk werk aan de winkel zeker zo lang onze oranje pingpongballen nog worden gemaakt in China (hoe logistiek duur?),

Prima analyse !

Het is echter niet een vraag van “of” maar “en”. De overheid/EU moet de voorwaarden scheppen (goede opleidingen (niveau vreemde talen), vestigingseisen etc.) en de bedrijven moeten meer de straat op om de handel binnen te halen.

In veel bedrijven wordt “alleen maar” vergaderd en wordt de sales niet centraal gesteld. Er worden mooie projecten gestart zoals Six Sigma etc. maar het geld wordt verdient door naar de klanten te gaan. De klant is de basis en daar moet de innovatie vandaan komen. Vraag het de klant en zorg dat zijn behoefte wordt ingevuld. Behoeftes/innovaties op kantoor verzinnen is kansloos en verzand in een nieuw kopje koffie halen.

Toon alle 6 reacties
x
x