In de Verenigde Staten doet zich momenteel – althans, op het moment dat wij dit schrijven, zowel als in de weken daaraan voorafgaand – het probleem voor dat er twee interne sollicitanten zijn voor dezelfde bestuursfunctie. En als zo vaak komt ook hier de sollicitatiecommissie er niet uit. Beide kandidaten zijn namelijk even goed – of liever, als we de commissie (het Amerikaanse volk) mogen geloven; het is lood om oud ijzer.
Opmerkelijk is dat juist in dat geval het geharrewar ten top stijgt. In plaats dat beide kandidaten gezien de slechte opkomst zich in een donkere hoek (elk natuurlijk in een andere) gaan zitten schamen over zoveel gebrek aan belangstelling bij het personeel (het volk) en vervolgens ook nog eens zoveel gebrek aan voorkeur, vliegen ze elkaar publiekelijk in de haren en laten duizenden ambtenaren opdraven om te kijken of er toch niet nog ergens wat voorkeur onder een tapijt is gegleden of in een stemcomputer tussen de radertjes is gekomen. Zodat zíj maar de directiezetel kunnen beklimmen.
Een altruïstischer kandidaat zou allang gezegd hebben; het kan de sollicitatiecommissie kennelijk zo weinig schelen of jij het wordt of ik, dat jij het maar moet worden, want jij hebt nog honderd stemmen meer. Maar ja, je komt alleen maar voor die sollicitatiecommissie als je een heel groot ego hebt, en grote ego’s vechten door tot ze hun zin hebben.
Nu er inhoudelijk geen enkel verschil blijkt te bestaan tussen de ene kandidaat en de andere – lood om oud ijzer, immers – wordt de strijd op formele gronden uitgevochten. En dat betekent dat men het steeds hogerop gaat zoeken – een partij gehakketak die tot in het Congres kan door-escaleren, naar ik begrepen heb. Maar uiteraard is ook daar iedereen zwaar politiek angehaucht, net als in alle rechtsorganen die men op weg naar het Congres heeft aangedaan, zodat ook daar geen besluit zal vallen waar men zich bij zal neerleggen.
Het gevolg zal zijn dat het vertrouwen van de sollicitatiecommissie in het bedrijf zelf aan het wankelen wordt gebracht. En dat is heel slecht voor het bedrijf. De enige redding is dat een van de twee kandidaten groothartig roept dat de ander eerlijk gewonnen heeft en dat hij zich daar natuurlijk loyaal bij neerlegt.
Kan het bedrijfsleven leren van deze klucht voor twee heren en een volk?
Hoe graag ik ook ‘ja’ zou willen zeggen, het antwoord moet toch ‘nee’ luiden. Want de zaken liggen eerder omgekeerd: de politiek kan hier van het bedrijfsleven leren. Als dáár twee kandidaten voor dezelfde hoge post in een patstelling geraken omdat ze allebei even goed of slecht zijn voor de functie, is er al snel een Raad van Commissarissen die de knoop doorhakt. Hetzij door de ene kandidaat te benoemen, hetzij door een derde van buiten aan te trekken. Ook de kandidaten zelf kiezen snel eieren voor hun geld. De winnaar door zich terug te trekken – “als de helft van de sollicitatiecommissie mij niet wil, heb ik sowieso niet genoeg steun om te kunnen functioneren” – of door zich met alle macht op het vervullen van zijn nieuwe taak te werpen en zo de andere helft alsnog te overtuigen van het feit dat híj de beste is. De verliezer schikt zich vervolgens, maar zal – vaker nog – bedenken dat als hij híer niet verder naar boven kan, hij het beter elders kan proberen.
Bedrijven hebben haast in dit soort situaties, want die denken aan de voortgang van de activiteiten, en aan hun aandeel. Dat je de hele Dow Jones mee naar beneden sleurt in je besluiteloosheid, is kennelijk minder erg.

 

Reageer

Na het plaatsen kunt u uw reactie nog 30 minuten aanpassen.

x
x