Het regisseren van de onderstroom

Cover stories

Van beheren naar orkestreren: de gedeelde opgave van de gemeente, vastgoedeigenaren, winkelstraatmanagers, winkeliersverenigingen en bewoners. Koester 'vitalisering' en 'emergentie'. Drie lessen uit drie steden.

Vitalisering begint niet met een plan. Het begint met de vraag: wat leeft hier al en hoe bescherm ik dat terwijl ik bouw?

Er is in Utrecht een winkelstraat die al eeuwen bestaat. Niet omdat iemand haar heeft ontworpen, niet omdat een gemeente haar heeft gerevitaliseerd, niet omdat een vastgoedeigenaar haar heeft gecureerd. Ze bestaat omdat ze beetje bij beetje is gegroeid, generatie na generatie, gebruik na gebruik. Elke ondernemer die er zich vestigde deed dat omdat de plek klopte. Elke bewoner die er woonde droeg bij aan wat de straat was. Niemand had de regie en juist daardoor heeft de straat een kwaliteit die moeilijk te benoemen is maar onmiddellijk te voelen.

Dat is het paradoxale sluitstuk van deze serie. We hebben vier artikelen lang beschreven hoe vitalisering werkt: welke interventies kloppen, welke fasering nodig is, welke functies beschermd moeten worden.

De conclusie is ongemakkelijk: de meest vitale plekken zijn niet de plekken die het best zijn geregisseerd. Het zijn de plekken die de ruimte hebben gekregen om zichzelf te worden. Dat betekent niet dat regie overbodig is. Het betekent dat de regisseur van de toekomst een andere rol heeft dan we gewend zijn. Die rol is niet het beheersen van functies, maar het bewaken van de onderstroom: de dagelijkse aanwezigheid van mensen die er willen zijn.

Drie lessen uit drie steden

Toen Philips het Strijp-S terrein in Eindhoven verliet, was er geen masterplan. Het terrein werd opengesteld voor creatieve bedrijven, kunstenaars en kleine initiatieven: mensen die elders geen plek hadden, maar wel iets wilden maken. De huren waren laag, de regels soepel, de ruimte voor experiment groot. In die fase groeide iets wat niemand had kunnen ontwerpen: een identiteit. Strijp-S werd het creatieve hart van Eindhoven niet omdat iemand dat had besloten, maar omdat de pioniers die er kwamen dat hart vormgaven met hun aanwezigheid. Pas daarna volgde de formele ontwikkeling. De hardware landde op een software die al bestond - de omgekeerde volgorde van wat we gewoonlijk zien, en precies de volgorde die werkt. Maar ook Strijp-S ontsnapte niet aan het patroon: zodra de waarden stegen, verdwenen de pioniers die de identiteit hadden gebouwd. Een fase van tijdelijk gebruik is een krachtig instrument om identiteit te bouwen, maar heeft alleen duurzame waarde als er tegelijk een mechanisme is dat de pioniers beschermt op het moment dat de waarden stijgen. Zonder dat mechanisme herhaalt zich het patroon van Carnaby Street: succes als sloopkogel.

Na de val van de Berlijnse Muur waren grote delen van Kreuzberg verwaarloosd en goedkoop. De gemeente had andere prioriteiten. En in dat vacuüm groeide organisch wat stedenbouwkundigen proberen te plannen: wonen, werken, winkelen, cultuur en ontmoeting door elkaar, zonder bestemmingsplan en zonder curator. De fijnmazige negentiende-eeuwse bebouwing maakte het mogelijk: kleine panden, lage huren, ruimte voor iedereen die iets wilde proberen. Kreuzberg werd aantrekkelijk juist omdat niemand het stuurde. Vandaag is het een van de duurste wijken van Berlijn en is de diversiteit die het aantrekkelijk maakte deels verdwenen. De les is niet dat regie altijd fout is. De les is dat er een moment is waarop ingrijpen nodig is, niet om de groei te sturen, maar om de diversiteit die de groei heeft voortgebracht te beschermen. Dat moment ligt eerder dan men denkt.

Japan kent de shotengai - een winkelstraat beheerd door de winkeliers zelf als collectief, generaties lang. Niet de gemeente, niet een vastgoedeigenaar, niet een extern manager. De ondernemers zijn samen eigenaar van de identiteit, de programmering en de toekomst van hun straat. Wat de shotengai onderscheidt van alle andere modellen in deze serie is niet de schaal maar de bron van de regie: co-creatie niet als methode maar als structuur. Dat gedeeld eigenaarschap is ook de kwetsbaarheid - veel shotengai verdwijnen nu doordat de opvolging wegvalt. Vitaliteit die leeft in mensen en niet in stenen is afhankelijk van de mensen die komen na degenen die haar bouwden. De les voor de Nederlandse winkelstraat: een winkeliersvereniging of BIZ die alleen regels uitvoert van bovenaf is geen shotengai. De kracht zit in het gedeeld eigenaarschap, dat winkeliers de straat als hun eigen verantwoordelijkheid beschouwen, niet als taakuitvoerder maar als mede-eigenaar van de beleving.

Wat de serie als geheel heeft geleerd

We begonnen in Almere. We eindigden in Japan. Daartussenin lagen Rotterdam, Utrecht, Kopenhagen, Londen, Eindhoven en Berlijn — steden die elk op hun eigen manier worstelen met dezelfde vraag: hoe bouw je een plek die niet bezwijkt onder haar eigen succes?

Kenmerken van vitaliteit

Het patroon dat zich door alle cases heen herhaalt is altijd hetzelfde. Vitale plekken ontstaan waar functies door elkaar lopen, waar bewoners dagelijks aanwezig zijn, waar kleine ondernemers de ruimte hebben om iets te bouwen dat niet in een hokje past. Ze verdwijnen als de hardware de software verdringt, als de renovatie de waarden optrekt voordat de ankerfuncties zijn beschermd, als de curator op pandwaarde selecteert in plaats van op ecosysteemwaarde, als de gemeente haar eigen linkerhand niet kent. En ze worden kwetsbaar als de regie bij te weinig mensen ligt. Carnaby Street had één eigenaar die alles bepaalde. Strijp-S had een gemeente die de pioniers niet beschermde. Kreuzberg had niemand, totdat de markt het overnam. De shotengai had iedereen, maar verloor haar basis toen de gemeenschap niet werd vernieuwd.

De les die al deze cases samentrekken: duurzame vitaliteit vraagt om co-creatie van alle partners. Niet als taakverdeling maar als gedeelde verantwoordelijkheid voor hetzelfde systeem.

Kwetsbaar?
Het succes wordt kwetsbaar als niemand de onderstroom bewaakt. De onderstroom -de trouwe ondernemer, de bewoner die dagelijks langs de bakker loopt, de kleine bedrijven die werkende mensen op straat houden- is niet zichtbaar in een bezoekersrapportage. Ze staat niet op een balans. Ze wordt niet gemeten. En daarom wordt ze niet beschermd op het moment dat ze het meest kwetsbaar is.

De nieuwe rol: regisseur van de onderstroom

De regisseur van de toekomst beheert geen beton. Die regisseert een ecosysteem. Dat vraagt om een fundamenteel andere manier van kijken en om concrete keuzes die ingaan tegen de logica van bestaande instrumenten.

Wie vraagt welke huurder de hoogste huur betaalt, beheert een portefeuille. Wie vraagt welke huurder de andere huurders beter maakt, functioneert als een curator van een ecosysteem. Wie bouwt zonder eerst de ankerfuncties te beschermen of mee te nemen, zaait de kiem van de volgende leegstand. De instrumenten om dat te voorkomen bestaan al: langlopende huurcontracten, gemeentelijke aankooprechten, collectief kooprecht voor huurders. Ze worden zelden ingezet op het moment dat het nog helpt.

Duurzame vitaliteit vraagt om co-creatie van alle partners, elk met eigen deskundigheid. De gemeente kent de instrumenten en de regelgeving, maar ook de randvoorwaarden voor bereikbaarheid en bevoorrading die verblijfskwaliteit mogelijk maken of ondermijnen. De vastgoedeigenaar kent de panden en de investeringslogica. De winkelstraatmanager verbindt. De winkeliersvereniging kent de klant: wie er komt, hoelang ze blijven, wat hen doet terugkeren. De bewonersorganisatie kent de wijk buiten de koopuren - wat de straat betekent als de winkels dicht zijn. Pas als al die kennis samenkomt, is er zicht op het systeem als geheel. Co-creatie is niet een aanpak voor wie er tijd voor heeft. Het is de enige werkwijze die het systeem volledig kan zien.

Daarbinnen geldt ook: bewust niet regisseren is ook regisseren. De regisseur die elke lege plek wil invullen, elk initiatief wil overnemen, elk proces wil sturen, drijft de vitaliteit weg die hij probeert te bouwen.
De Twijnstraat is vitaal omdat niemand haar heeft gecureerd. De eerste fase van Kreuzberg was vitaal om dezelfde reden. Het vraagt moed om te weten wanneer je niets doet en het vraagt kennis van het systeem om te weten of dat niets doen bewust is of nalatig.

Drie vragen waarmee u morgen kunt beginnen

  1. Kent u de onderstroom van uw straat? Wie zijn de ondernemers, bewoners en plekken die nu al de beleving leveren die u wilt bouwen en hoeveel van uw beslissingen van de afgelopen vijf jaar hebben hun aanwezigheid vergroot of verkleind?
  2. Wat beschermt u voordat u bouwt? Welke ankerfuncties zijn strategisch voor de vitaliteit van uw straat en wat doet u om te voorkomen dat de waardestijging die u nastreeft hen verdrijft voordat de straat hen het meest nodig heeft?
  3. Waar laat u bewust los? Welke ruimte is beschikbaar voor tijdelijk gebruik, experiment en functies die geen directe omzet genereren maar wel aanwezigheid creëren en bent u bereid die ruimte te beschermen als ze gaat werken?

De ondernemer op de 2e Middellandstraat stond op de stoep en vertelde dat hij had verkocht. We wisten niet dat hij weg wilde. Dat is de eerlijkste zin die over dit verhaal te schrijven valt — en de scherpste samenvatting van wat vitalisering in de kern vraagt. Ken de onderstroom voordat u begint. Vraag wat mensen nodig hebben om te blijven. Doe dat voordat de eerste schop de grond ingaat, niet erna.

Wie alleen beton beheert, bouwt een omgeving. Wie de onderstroom regisseert, bouwt een stad.

Dit is het vijfde en laatste artikel in de reeks ‘De Essentie van Vitalisering van Winkelstraten’, geschreven door Rudi Darson. Artikel 4 beschreef de 4W-balans en de winkelier als belevingsontwerper. Deze serie begon in Almere en eindigde in Japan met Rotterdam, Utrecht, Londen, Eindhoven en Berlijn daartussenin.

Deel uw  ervaringen op ManagementSite

Wij zijn altijd op zoek naar ervaringen uit de praktijk, wat werkt wel, wat niet.

SCHRIJF MEE  >>

Als u 3 of meer artikelen per jaar schrijft, ontvangt u een gratis pro-abonnement twv €200,--

Sybren van der Schaar
Pro-lid
Een sterk slot Rudi.

Dit raakt de kern van organisch groei.

Wat je artikelen overtuigend laten zien, is dat vitaliteit geen resultaat is van ontwerp, maar van ontwikkeling. Dat ontwikkeling zich zelden lineair laat sturen.

Een mooie parallel met de natuur.

Na een bosbrand ontstaat er niet direct weer een volwassen bos. Eerst komen de pioniers: soorten die ogenschijnlijk tijdelijk en rommelig zijn, maar essentieel om de bodem te herstellen en nieuwe groei mogelijk te maken. Pas daarna volgt de opbouw naar een rijk en stabiel ecosysteem. Wie die fase overslaat en direct “het eindbeeld” probeert te planten, krijgt misschien snelheid en controle maar geen veerkracht.

Precies dat mechanisme zien we terug in onze winkelstraten en gebieden. Pioniers bouwen identiteit. Ze brengen energie, trekken mensen, maken een plek voelbaar. Maar als het systeem vervolgens doorschiet naar optimalisatie en homogenisering, verdwijnen juist die dragers van vitaliteit. Wat overblijft is efficiënt, maar kwetsbaar en inwisselbaar.

Daar ligt ook een belangrijke waarschuwing voor hoe we organiseren. Systemen die te sterk sturen op balans, zekerheid en uniformiteit lopen het risico het proces dood te drukken dat ze willen faciliteren. Vitaliteit vraagt om ruimte voor verschil, voor timing en voor het ongemak van het tijdelijke.

De opgave voor ons vak verschuift daarmee fundamenteel. Niet het ontwerpen van het eindbeeld staat centraal, maar het begeleiden van een proces waarin verschillende fasen elkaar kunnen opvolgen en versterken zonder te vervallen in monocultuur.

Dat vraagt om een andere vorm van leiderschap. Minder gericht op beheersen, meer op begrijpen. Minder op invullen, meer op mogelijk maken.

Kortom, de leider als enabeler.

Dank voor je artikelen. Dit is precies het gesprek dat we nu nodig hebben.
Rudi Darson
Auteur
Dank je, Sybren.

Je bosbrandmetafoor raakt iets wat ik in de serie impliciet heb gelaten en niet zo scherp en treffend heb benoemd als jij: de pioniersfase is niet rommelig, het is juist natuurlijk en belangrijk. Die tijdelijkheid, dat ongemak, is de voorwaarde voor wat daarna kan komen. Wie die fase overslaat, krijgt inderdaad snelheid maar geen wortels, een slecht vooruitzicht.

Wat mij treft in jouw aanvulling is het risico van optimalisatie op het verkeerde moment. Carnaby Street is daar het scherpste voorbeeld van: het systeem schoot door naar homogenisering precies op het moment dat het had moeten beschermen wat het groot had gemaakt. Efficiënt, maar kwetsbaar, dat is een formulering die ik ga onthouden.

Je conclusie over de leider als 'enabler' onderschrijf ik, ik zou daar nog één ding aan toevoegen: het vraagt ook moed om bewust niets te doen. De regisseur die elke lege plek wil invullen, elk initiatief wil overnemen, drijft de vitaliteit weg die hij probeert te bouwen. Weten wanneer je loslaat is minstens zo moeilijk als weten wanneer je ingrijpt. Niet ingrijpen is ook ingrijpen.

En daar zit ook de bredere verschuiving die jij benoemt. We werken steeds meer in open systemen — winkelstraten, wijken, steden — met hun eigen dynamiek en terugkoppeling. Dat vraagt fundamenteel andere manieren van denken en handelen. Niet sturen op het eindbeeld maar werken naar de condities toe waaronder het eindbeeld kan ontstaan. Een 'enabling environment' creëren. Niet omdat het eindbeeld er niet toe doet, maar omdat je het in een open systeem niet direct kunt realiseren. Je kunt het alleen verdienen: stap voor stap, fase voor fase, met oog voor wat er al leeft.

Dat open systeemdenken reikt verder dan de winkelstraat. Internationaal samenwerken, virtueel samenwerken, werken met mensen die je nooit hebt ontmoet en diverse belangen die je niet volledig kent, het is de realiteit waarin steeds meer mensen en organisaties dagelijks opereren en samen moeten presteren. Vertrouwen zonder volledige controle. Richting geven zonder hiërarchie. Leren werken met onzekerheden en onbalans. Bijdragen aan een geheel dat groter is dan jezelf en dat je niet volledig kunt overzien. De winkelstraat is in dat licht een laboratorium voor iets veel groters: hoe we leren samenwerken, leidinggeven en presteren in een wereld die steeds meer uit open systemen bestaat, die complexer zijn dan de gesloten hierarchische systemen van traditionele organisaties.

Voorbij de traditionele veranderkunde. Iedere deelnemer moet zich daarin aanpassen, met de stroom mee.

Meer over Verandermanagement