Vitalisering is geen eenmalige ingreep maar een voortdurend proces van keuzes. Twee steden, twee volgorden, twee lessen over wat er gebeurt als de W van Werken als laatste komt en de verloedering begint
Wanneer kies je welke functie — en waarom nu?
In Rotterdam begonnen we met de basis. De 2e Middellandstraat stond slecht aangeschreven: de gebouwen verwaarloosd, de omgeving vuil, de veiligheid een probleem. Voordat je aan winkels of woningen kon denken, moest de straat eerst weer bewandelbaar worden. Wandelen dus, als eerste stap. Daarna Winkelen. Daarna Wonen. En Werken? Dat zou vanzelf wel komen.
In Almere was de volgorde anders maar het eindpunt hetzelfde. Almere Centrum werd ontworpen als winkelstad. Wandelen kwam later, als correctie op een centrum dat te leeg aanvoelde buiten de koopuren. Wonen volgde. En Werken? Dat zou vanzelf wel komen.
In beide steden eindigde Werken op de laatste plaats. Niet als bewuste keuze, maar als vanzelfsprekendheid. En in beide steden was dat de duurste vergissing van het hele proces.
Maar er ontbrak nog iets anders. Iets wat niet in de 4W-indeling past maar wel de motor is die het hele systeem aandrijft: beleving. Beleving is de reden waarom mensen ergens willen zijn. Verblijf is het gevolg. Besteding is wat daarna volgt. In beide steden werd gebouwd, gefaseerd en gebalanceerd - maar de vraag waarom iemand op een doordeweekse ochtend liever hier zou zijn dan thuis, werd nooit expliciet gesteld.
Case Rotterdam: Wandelen → Winkelen → Wonen → Werken
De fasering in Rotterdam was logisch. Je kunt geen winkels aantrekken in een straat waar mensen niet veilig komen. De volgorde was in de eerste stappen succesvol. Maar terwijl de straat aantrekkelijker werd, stegen de waarden. Panden die jarenlang weinig waard waren werden plotseling interessant. En precies op dat moment — het moment waarop de straat aantrekkelijk genoeg was geworden om Werken toe te laten, was de ruimte voor Werken verdwenen. Het verzamelgebouw met zijn kleine creatieve bedrijven werd verkocht. De waardestijging die de revitalisering moest bewijzen, verdrong precies de functies die de basis voor die waardestijging hadden gelegd.
De bewoners die als gevolg van de revitalisering kwamen, maakten intussen hun eigen koffie, bakten hun eigen koekjes. Ze verbleven op de straat op hun eigen manier, zonder de winkeliers daarin te betrekken. Twee groepen op dezelfde straat, elk met hun eigen W, zonder gemeenschappelijke taal. De vastgoedeigenaar keek naar de waarde van zijn pand. De gemeente keek naar veiligheid. De winkelier keek naar omzet. Niemand keek naar het systeem als geheel. En Werken, de functie die dagelijkse aanwezigheid genereert, die mensen een reden geeft om op een dinsdagochtend op straat te zijn, verdween in de ruimte tussen die drie perspectieven.
Case Almere: Winkelen → Wandelen → Wonen → Werken
Almere koos een andere volgorde maar liep tegen hetzelfde aan. Toen bleek dat Winkelen alleen niet genoeg was, werd ingezet op Wandelen: de Esplanada als stadspark, de bibliotheek als publieke trekker. Daarna Wonen. Maar ook hier: Werken als laatste. De kleine ondernemer, de zzp'er, het creatieve bedrijfje dat dagelijks leven brengt op straat — ze werden niet actief aangetrokken of beschermd. Bestemmingsplannen lieten het niet toe. Huurprijzen maakten het onbetaalbaar. De verwachting dat elke vierkante meter directe retailomzet genereert sloot functies uit die geen winkel zijn maar wel aanwezigheid creëren.
Almere Haven laat zien hoe het anders uitpakt. Haven heeft niet betere winkels dan het Centrum. Maar Haven heeft onbewust de juiste W centraal gesteld: de ruimte nodigt uit om er te zijn zonder iets te hoeven kopen. Het resultaat is dat mensen er langzamer lopen, een tweede koffie bestellen en blijven. Haven werd de concurrent van het Centrum niet door meer te investeren, maar door anders te kiezen.
Elders is dat bewust gedaan. Granville Island in Vancouver werd in de jaren zeventig getransformeerd van verloederd industrieterrein naar een van de meest vitale gemengde gebieden van Canada, niet door een retailconcept, maar door een mix van een publieke markt, kunstenaarsateliers, theaters en een gemeenschapscentrum. Alle vier de W's zijn aanwezig en bewust ontworpen om samen te werken. Tien miljoen bezoekers per jaar, niet omdat het een attractie is, maar omdat het een plek is waar mensen willen zijn. Beleving als organiserende kracht, niet als decoratie.
De les die beide verhalen delen
Twee steden, twee volgorden, hetzelfde eindpunt: Werken komt als laatste en verdwijnt daarmee op het moment dat het systeem het meest nodig heeft.
Werken wordt structureel onderschat omdat het effect ervan niet direct zichtbaar is. Een nieuwe woning levert huurinkomsten. Een nieuwe winkel levert omzet. Een atelier, een verzamelgebouw van kleine creatieve bedrijven, wat levert dat op? Het antwoord is: aanwezigheid. Mensen die er dagelijks zijn, die koffie halen, die lunchen, die in de straat kopen omdat ze er toch al zijn. Maar aanwezigheid staat niet op een balans en wordt niet gemeten in een bezoekersrapportage.
Aanwezigheid is het gevolg van beleving. En besteding is het gevolg van aanwezigheid. Die keten -beleving leidt tot verblijf, verblijf leidt tot besteding-is de economische logica die onder elk vitaal winkelgebied ligt. Ze is niet zichtbaar in een pandenoverzicht of een leegstandspercentage. Maar ze is wel de reden waarom sommige straten leven en andere niet, hoe goed de branchering ook is.
De 4W-balans is geen checklist waarbij je alle vakjes afvinkt. Het is een dynamisch systeem waarbij elke W de andere drie beïnvloedt en waarbij de volgorde en het moment van toevoegen bepalen of het systeem als geheel versterkt of verzwakt wordt. Een straat die Winkelen centraliseert zonder Werken te beschermen, functioneert op koopavonden en stilligt op dinsdagochtend. Een straat die Wonen toevoegt zonder te vragen wat bewoners en winkeliers voor elkaar kunnen betekenen, creëert twee werelden op dezelfde stoep.
De bewoners die hun eigen koffie zetten zijn geen probleem. Ze zijn een signaal. Ze zeggen: er is geen plek op deze straat waar ik wil zijn op de manier waarop ik wil zijn. Dat is niet de schuld van de bewoner. Dat is de uitkomst van een systeem dat Wandelen en Wonen heeft toegevoegd zonder te vragen wat die bewoners en wandelaars nodig hebben om ook de klant van de winkelier te worden die hij anders niet zou zijn.
De winkelier als belevingsontwerper
De rol van de winkelier gaat verder dan partner in het proces. De winkelier is ook -en misschien wel vooral- belevingsontwerper van zijn eigen zaak. De groentewinkel waar je proeft en ziet hoe producten worden klaargemaakt, schakelt alle zintuigen in op een manier die de supermarkt nooit kan. De gamingwinkel waar je speelt voordat je koopt. Het fotoatelier waar je leert en daarna het materiaal aanschaft. Elk een plek die een specifieke doelgroep aantrekt op uren dat de straat anders leeg is.
Wat deze voorbeelden gemeen hebben is niet het concept maar de logica: combineer het product met een ervaring, zowel binnen als buiten de winkel. De winkelier die zijn beleving naar buiten brengt -een demonstratie op straat, een etalage die uitnodigt- vergroot niet alleen zijn eigen aantrekkingskracht maar draagt bij aan de beleving van de hele straat. Zijn winkel wordt een afdeling van het grotere warenhuis dat de straat is.
De constante vraag die elke winkelier -en elke winkeliersvereniging- zichzelf zou moeten stellen: hoe vergroot ik de aantrekkingskracht en de verblijfskwaliteit voor mijn doelgroep? Niet eenmalig bij een herinrichting of een campagne, maar permanent. Want de bezoeker die langer blijft, koopt meer. Bij jou, maar ook bij je buurman. Beleving in de winkel is nooit alleen goed voor de winkelier. Het is goed voor de straat.
Wat de regisseur anders doet
De regisseur die de 4W-balans serieus neemt, stelt drie vragen die in de praktijk zelden worden gesteld.
Welke W ontbreekt op dit moment het meest en en versterkt ze als ze wordt toegevoegd de andere drie? Niet wat er op de lijst ontbreekt, maar wat het systeem als geheel verder brengt. In Rotterdam was dat Werken beschermen voordat de hardware-investering de waarden optrekt. In Almere is dat nog steeds de vraag: welke functie geeft mensen een reden om op een doordeweekse ochtend op het Stadsplein te zijn?
In welke volgorde doen we wat? De hardware -renovatie van panden, aanpak van plinten, verbetering van de openbare ruimte- verhoogt de waarden. Dat is het doel. Maar als de ankerfuncties niet zijn beschermd voordat de waarden stijgen, verdwijnen ze op het moment dat de straat ze het meest nodig heeft. Bescherm eerst, renoveer daarna.
Wat doen de W's met elkaar? De bewoner die concurrent wordt van de winkelier is geen onvermijdelijk conflict: het is een ontwerpfout. De bewoner die zijn koffie thuis zet, zet hem in de winkel als die winkel hem een reden geeft om binnen te komen.
Balanceren is geen eindtoestand. Het is het werk dat nooit klaar is en dat vraagt om een regisseur die alle vier de W's tegelijk ziet, de volgorde bewaakt en de frictie tussen functies benut in plaats van wegpoetst.
Dit is het vierde artikel in de reeks ‘De Essentie van Vitalisering van Winkelstraten’, geschreven door Rudi Darson. Artikel 3 liet zien hoe de beleving van een straat verdwijnt door twee onbedoelde besluiten. Artikel 5 synthetiseert de lessen van de serie: hoe gemeente, vastgoedeigenaar, winkelstraatmanager, winkeliersvereniging en bewoners samen de onderstroom kunnen regisseren in plaats van beton beheren.
Gerelateerde artikelen
De Essentie van Vitalisering van Winkelstraten
Rudi Darson
Chaos en een wirwar van belangen. Hoe hanteren?
Rudi Darson
Aan de grenzen van de veranderkunde: de transformatie van winkelstraten en wijken
Rudi Darson
De onderstroom van vernieuwing bij transformatie, deel 2
Rudi Darson
Deel uw ervaringen op ManagementSite
Wij zijn altijd op zoek naar ervaringen uit de praktijk, wat werkt wel, wat niet.
SCHRIJF MEE >>
Als u 3 of meer artikelen per jaar schrijft, ontvangt u een gratis pro-abonnement twv €200,--