Voor exporteurs en de overheid is het hebben van een ‘stuwende kracht’ in de vorm van een exportvisie van groot belang. Door het ontberen van een visionair exportbeleid loopt Nederland de komende jaren onnodig averij op.

Een exporteur geeft in zijn beleid aan hoe bepaalde ambities te realiseren en maakt keuzes op welke geografische en product-markten te opereren. De buiten Nederland te ondernemen inspanningen worden geprioriteerd en op een rij gezet. Een kind kan de was doen zou je zeggen, want de middelen om van export een succes te maken zijn immers niet onbegrensd.

Onlangs door Universiteit Nyenrode afgerond onderzoek onder 375 besluitvormers van 288 Nederlandse internationals maakt duidelijk dat er door het bedrijfsleven letterlijk nog een wereld is te winnen – onze ‘exportomzet’ kan de komende vijf jaar met gemak worden verdubbeld. In het oog springend is namelijk dat een groot deel van het exporterende bedrijfsleven geen expliciete ‘exportvisie’ heeft – een ambitieus langere termijndoel gericht op het realiseren van concrete mijlpalen in de zin van in te nemen geografische marktposities dan wel internationaal produkt- c.q. technologisch leiderschap.

Lees ook:

Hoe je businessmodel toekomstbestendig maken?

Veel exporteurs ontberen een ‘stuwende kracht’ in de vorm van een internationale visie. Slechts eenvijfde van de interviewees was in staat de internationale visie van de eigen exporteur ter plekke (tijdens het interview) te reproduceren. De totaalscore kwam – door het aan de interviewer toezenden van de wel aanwezige visies – uiteindelijk uit op ongeveer 35 procent. Slechts eenderde van de exporteurs beschikt dus over een geformaliseerde internationale ambitie (visie). Opmerkelijk was de stelling dat het “hebben van een internationale visie” door ruim 85 procent van alle exporteurs als ‘uiterst belangrijk’ werd gekwalificeerd – als ‘stuwende kracht’, ‘kompas’ en medium om de ‘neuzen internationaal dezelfde kant uit te krijgen’. Hoewel het exportpotentieelonderzoek zich vooral op de aspirant-exporteur (in het bijzonder uit het MKB) concentreert, lijkt het exportpotentieel onder de huidige exporteurs wellicht nog omvangrijker te zijn.

Het hebben van internationale ambities is toe te juichen, maar vereist wel een daarop toegesneden exportvisie. Een exportvisie geeft houvast bij het kiezen van het land, de regio dan wel het werelddeel waarin een onderneming met een gegeven produkt wenst te internationaliseren. Het is tegen de achtergrond van de voornoemde onderzoeksresultaten ronduit verwerpelijk dat we ons in Nederland jaar in jaar uit op de borst hebben geslagen om onze exportprestaties.

De Nederlandse overheid speelt in dit kader een kwestieuze rol. Het huidige exportbeleid is het politieke broddelwerk van jaren voortbouwen op verouderde beleidsuitgangspunten uit de jaren vijftig tot zeventig in plaats van het in nauwe samenwerking met het Nederlandse bedrijfsleven uitvoeren van (welke?) visionaire initiatieven. Er is op het gebied van het ontwikkelen van een visionair exportbeleid al twintig jaar sprake van een oorverdovende stilte.

De Nederlandse politieke exportdriekleur dekt inmiddels een door een hardnekkige schimmel aangetaste lading. Het communiceren van exportrecords (jaren achtereen een doel op zich van het ministerie van EZ) is – gelukkig – voltooid verleden tijd. De BV Nederland verliest ondertussen snel exportmarktaandeel, heeft in toenemende mate last van de (sluipende) tirannie van global sourcing, drijft meer en meer op de kwalitatief inferieure kurk ‘wederuitvoer’ (met weinig toegevoegde waarde), blijft met name exporteren naar traditionele Europese markten met veel te lage macro-economische groeiniveaus (noem het ‘gemaksexport’), concurreert internationaal al jaren niet langer met een comparatief arbeidsproductiviteitsvoordeel, exporteert relatief weinig innovatieve basis (agrarische en chemische) produkten en zo kan ik nog wel even doorgaan. Exportbeleid moet ten dienste staan van het Nederlandse bedrijfsleven, maar lijkt ondertussen meer op een politieke zandbak waar uiteenlopende ministeries met verschillende vormpjes en schepjes in de weer zijn.

Het gebrek aan visie onder exporteurs is voor een niet onaanzienlijk deel te wijten aan de onproductieve politieke voedingsbodem waarmee we in Nederland al veel te lang te maken hebben. Een overheid die in dit kader geen risico’s durft te nemen, neemt naar mijn stellige overtuiging een groot risico. Zonder visie leidt ook onze welzijnsstaat schipbreuk. De eerste pittige zandbank hebben we inmiddels te pakken. Zonder een visionair overheidsbeleid met daad- en verbeeldingskracht (minus discussieplatform) dreigt onze exportmotor alleen maar meer toeren te verliezen. De Oost-Europese economieën zullen ons bij het in stand houden van de status quo binnen vijftien jaar van de wereldkaart wegconcurreren. De dageraad van hun Gouden Eeuw is immers vanaf 1 mei aangebroken.

[*] Prof. dr. P.K. Jagersma is ondernemer, commissaris, hoogleraar International Business in het bijzonder de Exportkunde aan Universiteit Nyenrode en hoogleraar Strategie aan de Vrije Universiteit te Amsterdam.

Kennisbank onderwerpen:

Kennisbank onderwerpen:

 

Reageer

Na het plaatsen kunt u uw reactie nog 30 minuten aanpassen.

x
x