De stoel op – of de stoel af
regionale samenwerking vraagt om aanpassing van tempo
Onlangs deed ik een verzoek aan een gemeentesecretaris. Ik vroeg hem of één van zijn projectleiders zich wilde aanpassen aan de andere deelnemers: andere gemeenten binnen de regio. Kleinere gemeenten konden de grotere gemeente niet bijhouden. Samenwerking binnen het regionale project werd moeilijk. Ik dacht dat de grotere gemeente kon helpen de samenwerking te versterken door zich aan te passen.
Het antwoord van de gemeentesecretaris was bijzonder. Hij zei: ik zal mijn mensen niet adviseren van de stoel af te komen. De anderen moeten maar zien dat ze op de stoel  klimmen.
Daar heb ik even over na moeten denken. En uiteindelijk bedacht ik dat hij gelijk had. Sterker nog, enkele jaren geleden had ik hetzelfde geroepen tegen ambtenaren van een regiogemeente. Ik had hen namelijk het advies gegeven hun tempo aan te passen aan de buitenwereld. Naar mijn overtuiging is het niet meer vanzelfsprekend dat de overheid het tempo van processen bepaalt. Steeds vaker zijn bedrijven dat, maatschappelijke organisaties of burgers. De overheid is dienend; daarbij hoort dat ze zich ook instelt op het tempo dat wordt verlangd.
Maar nu was het een zaak tussen gemeenten. Het komt vaker voor. Regionale samenwerking is niet voor niets moeilijk. Behalve dat gemeenten elkaar iets moeten gunnen, verlangt het ook aanpassing. Vaak gaat het over inhoud. Lokale plannen en projecten moeten worden aangepast om tot een regionaal project te kunnen komen.
Maar ook het tempo, de regie, vraagt inzet van de gemeenten.
En het is verleidelijk, maar ook voor de hangliggend, om het tempo aan te passen aan de traagste van de groep. Je mag verwachten dat dit juist geldt voor sociale projecten, dat de mensen het hier als vanzelf doen. Immers, het is sociaal je aan te passen aan de zwaksten.
Maar daarmee komen we er blijkbaar niet. Het is juist de uitdaging om het tempo te verhogen. Om projecten sneller op te starten en uit te voeren. Maar dat gaat niet vanzelf. Ik ervaar het elke dag in mijn werk als beleidsmakelaar. Steeds vaker zijn gemeenten op elkaar aangewezen in de uitvoering van plannen en projecten. En daarmee komen de pijnpunten regelmatig in beeld.
Wat is er nodig?
Enthousiasme en lef. Het valt mij op dat scepsis kan veranderen in enthousiasme als ambtenaren met elkaar werken aan een regionaal project. Enthousiasme geeft ambtenaren de spirit om meer te doen dan van ze gevraagd wordt. Om harder te lopen, om het regionale werk naast hun bestaande taken te doen.
En daardoor krijgen ze ook meer lef. Om grenzen te verleggen, letterlijk en figuurlijk. Om nieuwe dingen te verzinnen en anderen te betrekken bij ‘hun’ project.
Ook het lef om niet te wachten totdat ze opdrachten krijgen van hun bestuurders. Maar durf om zelf het initiatief te nemen en met voorstellen te komen.
Dat is nodig omdat er in regionale samenwerking weinig trekkers zijn. Burgemeesters en wethouders leggen hun prioriteiten meestal toch in hun eigen gemeente.
Toch zie ik de noodzaak om meer te doen om regionale samenwerking te versterken. Naar mijn idee zou regionale uitwisseling mee kunnen helpen. Of anders gezegd: job rotation. Ambtenaren van twee gemeenten die voor 1 of 2 jaar van stoel ruilen. Het helpt begrip voor elkaar te krijgen. Maar ook om sneller eensgezindheid te bereiken.
Dat is een andere interpretatie van het op de stoel van een ander klimmen.
Arnoud Leerling
beleidsmakelaar/netwerker

 

Reageer

Na het plaatsen kunt u uw reactie nog 30 minuten aanpassen.

x
x