De eerste twee artikelen onderzochten hoe leiders vastlopen in systemen die ethiek ondermijnen: hoe je als leider navigeert in een organisatie die de morele ruimte verkleint (‘De bewoonbare organisatie’) en de morele plicht van de leider-vormgever om die ruimte actief te vergroten en bewoonbaar te houden (‘De architectuur van de bewoonbare organisatie’). In dit artikel gaan we terug naar de kern: karakter, oordeelsvermogen en het vermogen om, ook wanneer alles ‘klopt’, te vragen: Is dit eigenlijk wel fatsoenlijk?
Er is een moment dat veel leiders herkennen, al spreken ze er zelden over. Het besluit is genomen, de procedure gevolgd, de juridische afdeling heeft groen licht gegeven. En toch klopt er iets niet. Het zijn niet de cijfers, ook niet de argumenten; het zit dieper. In wat het besluit doet met mensen. Met vertrouwen. En met de vraag wie je eigenlijk bent als leider. Dit gevoel is geen teken van zwakte, eerder een moreel signaal dat meer hoort te zijn dan een kanttekening — een terzijde — in het besluitvormingsproces.
Hedendaags leiderschap speelt zich af op het snijvlak van botsende waarden: efficiëntie versus menselijkheid, winst versus duurzaamheid, snelheid versus zorgvuldigheid, nu versus later. Het probleem is niet dat deze spanningen bestaan — die zijn van alle tijden — maar dat ze worden teruggebracht tot technische of cijfermatige vraagstukken. Daarmee verdwijnen hun morele kern en de verantwoordelijkheid van de beslisser uit beeld. Wie uitsluitend stuurt op wat meetbaar is, verliest als snel uit het oog wat betekenisvol is.
Dit artikel is bedoeld voor leiders die zich hierin herkennen. Het betoogt dat ethiek geen bijzaak is, maar hét fundament van legitiem leiderschap. Juist wanneer regels en procedures tekortschieten, komt het aan op karakter en oordeelsvermogen.
Drie dilemma’s die niet verdwijnen
Drie dilemma's duiken steeds opnieuw op in boardrooms en directiekamers, ongeacht sector of schaal. Ze zijn herkenbaar juist omdat ze niet uitzonderlijk zijn, maar structureel.
Het eerste betreft medewerkers die worden vervangen door technologie. De businesscase klopt: automatisering verlaagt kosten, verhoogt consistentie en maakt organisaties wendbaarder. Maar wat is de verantwoordelijkheid van een organisatie tegenover mensen wier werk verdwijnt als gevolg van een strategische keuze? En hoe verhoudt de snelheid van die keuze zich tot de menselijke maat van wat verloren gaat?
Het tweede betreft kwetsbare klanten of burgers die worden geraakt door diezelfde automatisering. Wanneer menselijk contact structureel wordt vervangen door algoritmes, rijst de vraag waar efficiëntie omslaat in onrechtvaardigheid. De toeslagenaffaire liet op pijnlijke schaal zien wat er gebeurt als systemen geen uitzondering meer kennen en menselijk oordeel volledig is uitbesteed aan algoritmes. Het is geen incident: ook de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) controleerde jarenlang studenten op fraude via een algoritme dat mensen met een migratieachtergrond structureel harder trof. Dit zijn de grote, zichtbare gevallen. Maar het patroon speelt zich ook af op een schaal die ons allemaal overkomt of kan overkomen: van de helpdesk die is gereduceerd tot FAQ’s en chatbots die je in cirkels laat draaien tot de ondernemer die door een administratieve fout op een zwart lijstje belandt en vervolgens nergens gehoor vindt omdat niemand in de organisatie nog de autoriteit heeft om het algoritme te overrulen.
Het derde betreft langetermijnambities, onder andere op het gebied van klimaat, sociale cohesie of publiek vertrouwen, die stilzwijgend worden afgezwakt onder druk van aandeelhouders of de markt. Rationeel zijn zulke keuzes vaak verdedigbaar. Maar welke langetermijnschade wordt geaccepteerd voor kortetermijnrust? En wat doet het met de geloofwaardigheid van eerder gemaakte beloften?
Geen van deze dilemma’s heeft een eenduidig antwoord. Wat ze zichtbaar maken is waar morele restschade ontstaat. Waar meer nodig is dan correcte besluitvorming. Ze dwingen tot het expliciet maken van afwegingen en bieden een taal voor wat anders tussen regels en emoties verloren gaat.
Het oordeel uitbesteed
Regels zijn noodzakelijk. Ze beschermen tegen willekeur, machtsmisbruik en arbitraire besluitvorming. Maar regels hebben ook een fundamentele beperking: ze kunnen niet bepalen wat in een concrete situatie juist is. Wanneer leiders blind varen op procedures, verschuift persoonlijke verantwoordelijkheid ongemerkt naar de achtergrond.
Paradoxaal genoeg gebeurt dit juist in organisaties die sterk inzetten op controle, transparantie en verantwoording. Hoe meer wordt vastgelegd, gemeten en gemodelleerd, hoe groter de verleiding om het eigen oordeel uit te besteden aan systemen, processen en algoritmes. Compliance wordt dan een substituut voor ethiek. Dat is misschien geen probleem zolang situaties voorspelbaar zijn, maar op momenten waarop leiderschap het meest nodig is, zoals bij complexe, moreel geladen dilemma’s, schiet dit structureel tekort.
Wat dan ontbreekt is niet meer regelgeving of betere procedures, maar iets fundamentelers: het vermogen om in een concrete situatie te zien wat passend is. Aristoteles noemde dit phronesis — praktische wijsheid, ofwel het vermogen om de juiste maat te vinden tussen uitersten, te onderscheiden wanneer regels gevolgd moeten worden en wanneer ze tekortschieten, en verantwoordelijkheid te nemen voor de gevolgen van die afweging.
De diepere oorzaak is een crisis van oordeelsvermogen. In een wereld van modellen en datagedreven besluitvorming is het morele oordeel steeds verder op de achtergrond geraakt. De vraag ‘Wat deugt?’ is verdrongen door de vraag ‘Wat werkt?’. Dit is niet per se een teken van onverschilligheid. De oorzaak is eerder te vinden in systemen die suggereren dat het oordeel al is geveld. Veel leiders handelen te goeder trouw, maar worden moreel ontlast door structuren die verantwoordelijkheid verdelen, abstraheren of neutraliseren.
Systemen kunnen efficiëntie organiseren, maar geen oordeelsvermogen. Ze kunnen risico’s modelleren, maar geen praktische wijsheid genereren. Op het moment dat de regels en systemen zwijgen, blijft er eigenlijk maar één vraag over: Hoe handel ik hier als mens tegenover andere mensen?
Fatsoen als kompas
Fatsoen is ethiek in actie: de vertaling van morele principes naar wat besluiten doen met mensen. Waar compliance vraagt of iets toegestaan is, vraagt fatsoen of het deugt — menselijk, relationeel en contextueel. Voelen medewerkers zich gezien of gereduceerd tot een kostenpost? Ervaren klanten betrokkenheid of onverschilligheid? Wordt verantwoordelijkheid genomen of verschuilt men zich achter processen en algoritmes?
Fatsoen wordt zichtbaar in ogenschijnlijk kleine dingen. In de volgorde waarin je mensen informeert. In de toon die je aanslaat als je slecht nieuws brengt. In de tijd die je neemt om echt te luisteren. In de bereidheid om alternatieven serieus te onderzoeken, ook wanneer de uitkomst uiteindelijk hetzelfde blijft.
Zijn er manieren om technologie in te zetten die werk ondersteunt in plaats van vervangt? Kunnen kwetsbare klanten worden beschermd door hybride modellen waarin menselijk contact behouden blijft waar het ertoe doet? Kunnen langetermijnambities worden vertaald in concrete tussenstappen in plaats van stilzwijgend te worden afgezwakt? Het kost tijd om deze vragen serieus te verkennen. Dat kan botsen met onze aandrang om vaart te maken en met efficiëntie op de korte termijn. Maar het alternatief is duurder: verlies van legitimiteit, vervreemding en erosie van vertrouwen.
In een tijd waarin systemen steeds meer voor en over ons weten en beslissen, is fatsoen de plek waar de mens weer verschijnt als morele noodzaak.
Een taal voor het morele midden
Deugdenethiek verschuift de vraag van ‘Mag dit?’ naar ‘Wat vraagt deze situatie van mij?’. Deze verschuiving is wezenlijk: ze richt de aandacht op karakter en oordeelsvermogen in plaats van op regels en optimalisatie. Twee tradities bieden hiervoor niet alleen een bruikbare taal, ze vullen elkaar bovendien aan.
De klassieke Grieks-Romeinse traditie
De vier kardinale deugden uit de Grieks-Romeinse traditie helpen het oordeel te scherpen waar procedures tekortschieten. Praktische wijsheid (phronesis) stelt de vraag: wat vraagt deze situatie werkelijk? Niet in abstracto, maar hier, nu, van mij. Moed (andreia) vraagt om te doen wat juist is onder druk, maar evenzeer om weerstand te bieden aan de eigen impuls wanneer die naar het gemakkelijke trekt. Matigheid (sophrosyne) bewaakt de proportie: is de schaal en snelheid van deze ingreep wijs? En rechtvaardigheid (dikaiosyne) stelt de hardnekkigste vraag: worden lasten en baten eerlijk verdeeld of raken dezelfde groepen structureel het hardst?
De confuciaanse traditie
De confuciaanse traditie voegt daar iets wezenlijks aan toe, iets wat de Grieks-Romeinse traditie minder expliciet maakt: de kwaliteit van de relatie zelf als morele maatstaf. Menselijkheid (Ren) vraagt of we de ander nog zien als persoon met waardigheid en geschiedenis of slechts als kostenpost. Morele juistheid (Yi) vraagt om te handelen vanuit wat de situatie vraagt, niet vanuit eigenbelang. Gepastheid (Li) richt de aandacht op de manier waarop iets gezegd en gedaan wordt, niet alleen op wat. En betrouwbaarheid (Xin) stelt de vraag of woord en daad consistent zijn, ook wanneer niemand meekijkt.
Samen bieden deze tradities een taal voor het morele midden — voorbij regels, maar ook voorbij emoties. Ze maken spanning zichtbaar die anders onbenoemd blijft. Het doel is niet het enig juiste antwoord te vinden, maar om bewuster te kunnen kiezen en die keuze vervolgens beter te kunnen verantwoorden.
Wanneer regels tekortschieten, begint leiderschap
Ethiek is geen eindpunt, maar een levenspraktijk. Deugden worden gevormd in ons handelen. Dat vraagt voortdurende zelfreflectie, dialoog en bereidheid tot leren. Een leider die nooit twijfelt, heeft ofwel alle antwoorden, wat onmogelijk is, of heeft opgehouden moreel alert te zijn, wat gevaarlijk is.
Maar hier ligt ook een structurele uitdaging die eerlijk moet worden benoemd: fatsoenlijk leiderschap is namelijk niet alleen een kwestie van (individueel) karakter, het vereist ook organisaties die het mogelijk maken. Wie tegenspraak levert, loopt risico. Wie vertraagt om morele vragen serieus te nemen, botst met de druk van het kwartaal. Wie de menselijke maat bewaakt, wordt soms weggezet als naïef. De architectuur van veel organisaties werkt fatsoenlijk leiderschap actief tegen omdat ze zijn ontworpen voor efficiëntie, niet voor (moreel) oordeelsvermogen.
Dat maakt de opgave dubbel. Leiders moeten niet alleen hun eigen karakter cultiveren, maar ook de ruimte bevechten waarin dat karakter zich kan uitdrukken. Dat vraagt moed. Niet de heroïsche moed van de uitzondering, maar de alledaagse moed om lastige vragen vroeg in het proces te stellen: Wie raakt dit het hardst? Wat gaat er onherroepelijk verloren? Welke alternatieven hebben we werkelijk onderzocht?
Fatsoenlijk leiderschap vraagt soms persoonlijke offers. Het vraagt het vermogen om jezelf in de spiegel aan te kijken en te zeggen: ‘Dit was geen eenvoudig besluit, er was geen perfecte oplossing, maar we hebben alles gedaan wat we konden om rechtvaardig te zijn’. De kernvraag is niet ‘Wat mag ik doen binnen de regels?’, maar ‘Wie wil ik zijn als leider wanneer de regels tekortschieten?’
Dat is geen vraag met een definitief antwoord. Het is een die telkens opnieuw gesteld moet worden — in de volgorde waarin je mensen informeert, in de toon die je aanslaat, in de tijd die je neemt om echt te luisteren. Juist in die ogenschijnlijk kleine dingen wordt zichtbaar of ethiek werkelijk het fundament vormt of dat het een kanttekening blijft in een vergaderverslag. Of een voetnoot in het jaarverslag.
Het is nooit te laat om hiermee te beginnen.
Drie reflectieve vragen
- Morele restschade:
Welke beslissing over automatisering of efficiëntie heb ik recent genomen waarbij ik achteraf dacht: ‘Dit voelde niet goed, ook al klopte de businesscase’?- Fatsoen in de praktijk:
Waar in mijn organisatie worden kwetsbare klanten of medewerkers structureel benadeeld door systemen of processen? Welke kleine verandering kan ik morgen doorvoeren om dat te herstellen?- Oordeelsvermogen vs. regels:
Wanneer heb ik voor het laatst een regel overtreden om een menselijk onrecht te herstellen? Wat leert dat me over de grenzen van ons huidige systeem?
Over de auteur
Als executive coach en leiderschapsadviseur beweegt Mark Storm zich het liefst op de randen — waar het denken schuurt — en helpt hij leiders pauzeren en nadenken over wie ze zijn en kunnen zijn. Meer op markstorm.nl.
Bronvermelding
Aristoteles, Ethica Nicomachea, vert. Charles Huppert en Bartel Poortman (Uitgeverij DAMON, 2005)
Confucius, Confucius: De gesprekken, vert. K. Schipper (Uitgeverij Atlas Contact, 2014)
Confucius, Gesprekken van Confucius, vert. M. Linnemann (Athenaeum-Polak & Van Gennep, 2015)
Hannah Arendt, Eichmann in Jeruzalem: De banaliteit van het kwaad, vert. W.J.P. Scholtz (Olympus/Uitgeverij Atlas Contact, 2016)
Onora O'Neill, A Question of Trust, The BBC Reith Lectures 2002 (Cambridge University Press, 2002)
Alasdair MacIntyre, Na de deugd: Een studie naar morele theorie, vert. W. Visser (Uitgeverij Ten Have, 2014)
NOS, Overheid moet stoppen met algoritmes die leiden tot discriminatie (nos.nl, 7 mei 2026)
Mark Storm, Van Plato naar praktijk: De klassieke deugden als kompas voor karakterontwikkeling en ethisch leiderschap (markstorm.nl/denkwerk)
Mark Storm, Confucius’ Vijf Deugden: Een kompas voor karakterontwikkeling en ethisch leiderschap (markstorm.nl/denkwerk)
Tweede Kamer der Staten-Generaal, Verslag Parlementaire ondervragingscommissie Kinderopvangtoeslag, Ongekend onrecht (Den Haag, 2020)
Deel uw ervaringen op ManagementSite
Wij zijn altijd op zoek naar ervaringen uit de praktijk, wat werkt wel, wat niet.
SCHRIJF MEE >>
Als u 3 of meer artikelen per jaar schrijft, ontvangt u een gratis pro-abonnement twv €200,--