Polarisatie (1): Niemand heeft het patent op rechtvaardig en sociaal gedrag

Onze samenleving zit vol mensen die het goede willen. Dat klinkt geruststellend, totdat blijkt dat vrijwel iedereen daarbij ook meteen heeft vastgesteld wie de slechteriken zijn. Ik doel op een opvallend soort moreel gedrag, dat zich graag bezighoudt met liefde, vrede, dierenwelzijn, inclusie, Palestina, vluchtelingen en het redden van de planeet. Daar is weinig op tegen. Integendeel. Maar het wordt vermoeiend wanneer  iemand niet alleen een standpunt heeft, maar ook meteen het alleenrecht opeist op menselijkheid.

Want hoe redeneert zo iemand? Wie tegen de wolf is, haat de natuur. Wie voor defensie is, houdt blijkbaar van oorlog. Wie vragen stelt bij migratie, is racist. Wie wijst op de dreiging waaronder Israël leeft, is gevoelloos voor Palestijnen. En wie niet het juiste vocabulaire gebruikt, heeft vermoedelijk nog een cursus bewustwording nodig. Zo verandert sociaal gevoel in een soort keurmerk. Alleen verkrijgbaar bij de erkende morele verkooppunten.

Toch kan achter een standpunt, dat tegenover het jouwe staat, net zo goed sociaal gevoel en zorg schuilgaan. Wie de wolf wil bestrijden, denkt misschien aan vee, huisdieren, boeren en mensen die niet vanuit een bovenwoning in de grote stad beoordelen hoe gezellig biodiversiteit is. Wie een sterk leger wil, denkt mogelijk niet aan parades en tanks, maar aan de vraag wie burgers beschermt wanneer een agressor zich minder voor vrede interesseert dan wij.

Ook bij migratie ligt het ingewikkelder dan de gebruikelijke verdeling tussen de barmhartigen en de barbaren. Mensen die vluchten voor oorlog en vervolging verdienen bescherming. Tegelijk haalt een samenleving met mensen ook talen, religies, normen, familiepatronen en politieke opvattingen binnen. Wie daar vragen over stelt, bedrijft nog geen racisme. Hij stelt een vraag over de toekomst van zijn samenleving. 

De islam hoort daar ook bij. Dat mag gewoon benoemd worden zonder dat onmiddellijk de brandmelders van de deugdzame gemeenschap afgaan. Religies zijn niet alleen persoonlijke gevoelens. Ze bevatten ook ideeën over man en vrouw, seksualiteit, gezag, wetgeving, opvoeding en de verhouding tussen geloof en staat. Sommige van die ideeën passen goed in een vrije samenleving, andere schuren ermee en weer andere botsen er frontaal op. 

Daarover nadenken is geen haat. Het is bestuur.

Natuurlijk bestaan racisme en discriminatie. Natuurlijk zijn er mensen die migranten als zondebok gebruiken. Maar het omgekeerde bestaat ook: mensen die ieder ongemakkelijk bezwaar racisme noemen, zodat ze het niet inhoudelijk hoeven te verantwoorden. Het woord racisme functioneert dan als een morele nooduitgang. Zodra het gesprek lastig wordt, trekt men aan het koord en verlaat men het gebouw.

Hetzelfde mechanisme zie je bij oorlog en vrede. Tegen oorlog zijn is eenvoudig. Vrijwel iedereen is tegen oorlog, vooral wanneer de vijand zich daar eveneens aan houdt. De echte vraag begint wanneer dat niet zo is. Dan kan pacifisme een hoogstaand ideaal zijn, maar ook een luxe die wordt betaald door degenen die zichzelf wel moeten verdedigen. Vrede zonder bescherming is soms vooral een vriendelijke formulering voor overgave.

Bij Israël en Palestina is het morele toneel inmiddels zo ingericht dat beide kampen hun eigen selectie van slachtoffers meenemen. De ene kant ziet uitsluitend Palestijnse kinderen, de andere uitsluitend Israëlische gegijzelden en vermoorde burgers. Wie werkelijk sociaal wil denken, zal beide moeten zien. Dat is alleen minder bruikbaar voor demonstraties, talkshows en sociale media, want gedeeld menselijk leed past slecht op een bord van karton. Het is allemaal niet goed voor bevordering van sociaal gedrag dat zich uitstrekt naar àlle partijen. 

De samenleving raakt zo verdeeld in morele stammen. Iedere stam heeft haar eigen heiligen, ketters, slogans en verboden woorden. De activist heeft de racist nodig. De nationalist heeft de landverrader nodig. De pacifist heeft de oorlogshitser nodig. De havik heeft de naïeve vredesduif nodig. Zonder vijand wordt het eigen gelijk namelijk een stuk minder indrukwekkend. Misschien is dat wel het werkelijke probleem: wij gebruiken tegenstanders om onszelf als goede mensen te kunnen ervaren.

Het zou verstandiger zijn om elkaar iets vaker te vragen: wat probeer jij te beschermen? Waar ben jij bang voor? Welke gevolgen zie jij die ik niet zie? En wie betaalt uiteindelijk de prijs van jouw idealen? 

Dat laatste is ook belangrijk. Veel morele overtuigingen zijn verrassend gemakkelijk vol te houden zolang andere mensen de kosten dragen. De stedeling wil de wolf, de boer verliest zijn dieren. De pacifist wil ontwapening, de grensbewoner loopt het risico. De ruimhartige burger wil onbeperkte opvang, iemand anders wacht tien jaar op een woning. De nationalist wil harde grenzen, terwijl de vluchteling de rekening betaalt.

Sociaal denken begint dus pas waar men bereid is alle gevolgen mee te wegen, ook de gevolgen die niet in het eigen verhaal passen. Misschien ontdekken we dan dat de tegenstander geen monster is, maar iemand die vanuit een ander sociaal gevoel tot een andere conclusie komt.Dat zou al een hele vooruitgang zijn.

Al zullen sommige mensen eerst moeten wennen aan de ontluisterende gedachte dat ook hun vijand een geweten heeft. En om er toch nog even een moraal aan toe te voegen: Goede bestuurders kijken eerst naar beide standpunten en de achterliggende argumentatie. En pas dan kom je tot een goed standpunt.

bertoverbeek.com 

 

Deel uw  ervaringen op ManagementSite

Wij zijn altijd op zoek naar ervaringen uit de praktijk, wat werkt wel, wat niet.

SCHRIJF MEE  >>

Als u 3 of meer artikelen per jaar schrijft, ontvangt u een gratis pro-abonnement twv €200,--