Dinsdag 150926 is het Prinsjesdag. We zullen praten over koopkracht, belastingen, zorg, woningbouw, defensie en begrotingstekorten. Maar onder al die onderwerpen ligt een fundamentelere vraag: kan Nederland over tien of twintig jaar nog voldoende welvaart produceren om onze ambities waar te maken?
Nederland beschikt over opgebouwde vermogens, kennis, infrastructuur en ondernemerschap. Die vormen een stevige basis. Maar opgebouwd vermogen is iets anders dan het vermogen om morgen opnieuw waarde te creëren.
Daar zit de spanning die de recente NRC-analyse over de Nederlandse economie oproept. Onze huidige welvaart kan verhullen dat de voorwaarden voor toekomstige welvaart onder druk staan. Arbeid is schaars, de bevolking vergrijst en bedrijven lopen tegen fysieke en bestuurlijke grenzen aan.
De PrinsjesdagPeiling 2026 voegt daar een relevant signaal aan toe: 44 procent van de ondervraagde ondernemers en bedrijfsbestuurders verwacht het komende jaar investeringen in het eigen bedrijf uit te stellen. Dat maakt Prinsjesdag niet alleen een debat over de verdeling van geld, maar ook over de omstandigheden waarin bedrijven hun toekomst durven financieren.
De productiviteitsrekening
Economische groei kan voortkomen uit meer gewerkte uren, maar ook uit meer waarde per gewerkt uur. Wanneer het arbeidsaanbod minder ruimte biedt, wordt die tweede route belangrijker.
Dat klinkt abstract. Toch gaat het over concrete vragen. Wie verzorgt straks onze ouderen? Wie staat voor de klas? Wie onderhoudt bruggen, bouwt woningen en werkt aan onze veiligheid? En wie ontwikkelt de bedrijvigheid waarmee we publieke voorzieningen kunnen blijven betalen?
Meer budget kan helpen om mensen op te leiden, werk aantrekkelijker te maken en capaciteit op te bouwen. Het maakt extra professionals echter niet onmiddellijk beschikbaar. Wanneer organisaties allemaal uit dezelfde beperkte groep medewerkers proberen te werven, verplaatst een deel van het tekort zich.
Daarom hoort naast de vraag ‘Waar halen we de mensen vandaan?’ een andere vraag te staan: Hoe organiseren we het werk zo dat beschikbare mensen meer economische en maatschappelijke waarde kunnen leveren?
Meer productiviteit betekent daarbij niet simpelweg harder werken. Het kan ook betekenen dat een verpleegkundige minder hoeft te registreren, een technicus minder tijd kwijt is aan zoeken of een overheidsmedewerker een aanvraag in één keer goed kan afhandelen. Kwaliteit, toegankelijkheid en voorkomen herstelwerk horen bij die beoordeling.
Prinsjesdag als investeringsbeslissing
De Rijksbegroting laat zien welke behoeften de overheid nu wil financieren. Ze zou ook moeten laten zien hoe Nederland zijn toekomstige mogelijkheden vergroot.
Onderwijs, onderzoek, infrastructuur en technologie kunnen daaraan bijdragen. Hetzelfde geldt voor woningen die arbeidsmobiliteit mogelijk maken, een elektriciteitsnet dat bedrijvigheid ondersteunt en publieke dienstverlening die minder onnodige capaciteit vraagt.
Dat betekent niet dat consumptie, bestaanszekerheid of zorg tegenover toekomstige welvaart staan. Goede zorg en financiële zekerheid kunnen mensen juist in staat stellen om mee te doen, te leren en te werken. Het onderscheid tussen uitgaven voor vandaag en investeringen voor morgen is in de praktijk niet absoluut.
Wel moeten we bij grote begrotingskeuzes explicieter vragen: welke capaciteit ontstaat hierdoor, wanneer komt die beschikbaar en welke belemmering wordt ermee weggenomen?
Een aangekondigd bedrag is nog geen gerealiseerde verbetering. Daarvoor zijn uitvoering, mensen, infrastructuur en continuïteit nodig.
De begroting kan vooruitkijken terwijl bedrijven op de rem staan
Juist hier wordt de PrinsjesdagPeiling interessant.
Kieskompas ondervroeg tussen 23 juli en 25 augustus 3.473 ondernemers en bedrijfsbestuurders, in opdracht van MKB-Nederland en VNO-NCW. Van hen verwacht 44 procent het komende jaar investeringen uit te stellen. Daarnaast laat 45 procent investeringsbeslissingen afhangen van het langjarige overheidsbeleid.
Bij de vraag naar de belangrijkste redenen voor investeringsuitstel wordt wisselend overheidsbeleid het vaakst genoemd: 51 procent. Onzekerheid over de Nederlandse economie volgt met 34 procent, bedrijfseconomische onzekerheid met 33 procent en vergunningen en regeldruk met 19 procent. Bij deze vraag konden deelnemers maximaal twee redenen kiezen.
Die uitkomsten zijn geen meting van daadwerkelijk geschrapte investeringen. Ze vertellen evenmin hoeveel euro ermee gemoeid is. Maar ze maken wel zichtbaar dat een investeringsagenda meer vraagt dan financiering alleen.
Een ondernemer die niet weet welke regels, kosten of voorwaarden over enkele jaren gelden, kan besluiten te wachten. Dat kan voor het individuele bedrijf een begrijpelijke keuze zijn. Wanneer veel bedrijven tegelijk wachten, kan het collectieve gevolg minder vernieuwing en tragere capaciteitsopbouw zijn.
Daar ontstaat een ongemakkelijke spanning: de overheid rekent op toekomstige groei, terwijl bedrijven terughoudend zijn met de investeringen die daaraan moeten bijdragen.
Nederland kan toekomstige productiviteitswinst niet alvast inboeken terwijl ondernemers de investeringen die haar mogelijk moeten maken uitstellen.
Wat betekent dit voor AI en innovatie?
De peiling maakt geen afzonderlijke uitsplitsing naar AI-investeringen. We kunnen op basis van deze rapportage dus niet stellen dat 44 procent van de ondernemers AI of innovatie uitstelt.
De verbinding met AI is een vervolgvraag: wat gebeurt er wanneer investeringsuitstel ook technologie raakt waarmee schaarse arbeid productiever kan worden ingezet?
Dan kan meer opschuiven dan een softwareaanschaf. Ook medewerkers opleiden, gegevens op orde brengen, toepassingen beproeven en processen herontwerpen kosten tijd. Wie later begint, bouwt die ervaring mogelijk ook later op.
Dat betekent niet dat ieder AI-project onmiddellijk moet doorgaan. Een slecht onderbouwde investering wordt niet verstandig omdat er AI op staat. Wachten kan rationeel zijn wanneer een toepassing onvoldoende betrouwbaar is, de kosten onduidelijk zijn of het probleem nog niet scherp is geformuleerd.
Het managementvraagstuk is daarom: welke investeringen kunnen verantwoord wachten, en welk uitstel verzwakt juist het toekomstige vermogen van de organisatie?
Dat onderscheid vraagt meer dan een generieke investeringsstop.
Van een snellere taak naar beter georganiseerd werk
Veel toepassingen van generatieve AI beginnen bij afzonderlijke taken: een tekst opstellen, informatie zoeken of een document samenvatten. Dat kan nuttige tijdwinst opleveren. De organisatorische opbrengst hangt vervolgens af van wat er met die tijd gebeurt.
Als een document sneller wordt geschreven maar daarna langs dezelfde onnodige goedkeuringsrondes gaat, blijft een belangrijk deel van de vertraging bestaan. Als medewerkers meer stukken produceren dan collega’s kunnen beoordelen, kan het knelpunt zelfs verschuiven.
De grotere kans ligt daarom in het opnieuw bekijken van de hele werkwijze. Welke handelingen zijn werkelijk nodig? Welke informatie moet beschikbaar zijn? Waar kan een systeem ondersteunen of uitvoeren? Waar is professioneel oordeel doorslaggevend? En wie blijft verantwoordelijk voor het resultaat?
AI-agents kunnen deze vragen urgenter maken doordat ze meerdere stappen achter elkaar kunnen uitvoeren. Maar meer automatisering levert pas maatschappelijke en economische waarde op als ook kwaliteit, controle en herstel goed zijn georganiseerd.
De relevante maatstaf is niet hoeveel AI een organisatie gebruikt. Het is wat er aantoonbaar beter gaat.
Misschien ontstaan sommige vacatures niet meer
De discussie over AI gaat vaak over bestaande banen die verdwijnen. In een economie met arbeidsschaarste is een andere ontwikkeling minstens zo relevant: toekomstige vacatures die niet meer hoeven te ontstaan.
Neem een denkbeeldige organisatie die verwacht voor uitbreiding 1.000 extra medewerkers nodig te hebben. Als procesverbetering en technologie dezelfde dienstverlening mogelijk maken met 700 extra medewerkers, zijn er in dat voorbeeld geen 300 mensen ontslagen. De aanvullende personeelsbehoefte is kleiner geworden.
Dat is de gedachte achter de Missing-Job Hypothesis: een deel van de arbeidsmarkteffecten kan zichtbaar worden in banen die nooit worden gecreëerd, in plaats van uitsluitend in verdwenen arbeidsplaatsen.
Voor een werkgever kan dat verlichting geven. Voor een starter kan een niet-gecreëerde functie juist een gemiste instapmogelijkheid zijn. En als vooral eenvoudige taken verdwijnen, ontstaat de vraag waar toekomstige professionals hun ervaring opdoen.
Productiviteitswinst vraagt daarom ook om een ontwikkelstrategie. Welke leerplekken blijven bestaan? Hoe bouwen medewerkers vakkennis op? En hoe zorgen organisaties dat automatisering hun toekomstige deskundigheid niet uitholt?
De productiviteitsagenda is ook een managementagenda
Technologie aanschaffen is slechts een deel van de opgave. Organisaties moeten kunnen leren hoe ze ermee werken.
Dat vraagt vaardigheden, duidelijke verantwoordelijkheden en ruimte om bestaande routines ter discussie te stellen. Medewerkers moeten kunnen aangeven dat een systeem fouten maakt, dat een tijdwinst op papier in de praktijk herstelwerk oplevert of dat een toepassing onvoldoende rekening houdt met bepaalde gebruikers.
Psychologische veiligheid is daarmee ook relevant voor het productief inzetten van AI. Wanneer twijfels en fouten niet worden uitgesproken, kan een organisatie efficiënt lijken terwijl risico’s en herstelkosten zich opstapelen.
Bestuurders en managers kunnen zichzelf drie concrete vragen stellen:
- Welke investering vermindert een aantoonbaar knelpunt in ons werk?
- Wat moeten we behalve technologie veranderen om die opbrengst te realiseren?
- Hoe meten we tijdwinst, kwaliteit, werkdruk en behoud van deskundigheid gezamenlijk?
Ook inclusie hoort daarbij. Toegankelijker werk en passende ondersteuning kunnen mensen meer mogelijkheden geven om bij te dragen. Een productiviteitsagenda die alleen kijkt naar minder benodigde medewerkers, mist kansen om beschikbaar talent beter tot zijn recht te laten komen.
Voorspelbaarheid als economische voorwaarde
De PrinsjesdagPeiling brengt ons vervolgens terug bij de overheid. Bedrijven maken hun keuzes binnen een omgeving van regels, belastingen, infrastructuur en publieke voorzieningen.
Niet alle onzekerheid kan verdwijnen. Economische ontwikkelingen, geopolitiek en technologie blijven veranderlijk. Juist daarom doet het ertoe hoe de overheid omgaat met onzekerheid waarop zij wel invloed heeft.
Voorspelbaarheid betekent niet dat beleid nooit mag veranderen. Het betekent dat wijzigingen uitlegbaar zijn, uitvoering haalbaar is en bedrijven voldoende zicht hebben op de richting en overgangstermijnen.
De peiling bewijst geen rechtstreeks causaal verband tussen beleidswisselingen en lagere productiviteit. Ze laat wel zien dat ondernemers beleidsonzekerheid nadrukkelijk meenemen in hun investeringsafwegingen. Dat verdient een plaats naast de begrotingsbedragen.
Een andere Prinsjesdagvraag
Dinsdag zullen veel analyses verschijnen over wie erop vooruitgaat en wie erop achteruitgaat. Daarnaast verdient een tweede beoordeling aandacht:
Welke keuzes vergroten het vermogen van Nederland om over tien jaar waarde te creëren en maken het aantrekkelijk en uitvoerbaar om daar nu in te investeren?
Die toets gaat over geld, maar ook over uitvoeringskracht. Over onderwijs en infrastructuur, maar ook over organisatieontwerp. Over AI, maar ook over vakmanschap en vertrouwen.
De waarschuwing uit de PrinsjesdagPeiling is daarbij helder genoeg: een aanzienlijke groep ondernemers verwacht investeringen uit te stellen. Welke investeringen dat precies zijn, vraagt nader onderzoek. Dat het investeringsklimaat onderdeel van de productiviteitsopgave is, verdient nu al aandacht.
Nederland is rijk. De vraag is of we de voorwaarden onderhouden waarmee we die welvaart opnieuw kunnen verdienen.
Prinsjesdag moet daarom niet alleen duidelijk maken wat Nederland volgend jaar uitgeeft, maar ook waarom mensen en bedrijven vandaag in de toekomst zouden investeren.
Deze bijdrage is een voorbeschouwing op Prinsjesdag 2026. Na publicatie van de Miljoenennota en de bijbehorende ramingen kan de analyse worden aangevuld met de definitieve begrotingskeuzes.
Onderzoeksverantwoording: de PrinsjesdagPeiling 2026 is gewogen naar provincie en branche. Grotere bedrijven zijn bewust oververtegenwoordigd. De gerapporteerde verwachtingen zijn geen meting van gerealiseerde investeringen of van het totale Nederlandse investeringsvolume.
Deel uw ervaringen op ManagementSite
Wij zijn altijd op zoek naar ervaringen uit de praktijk, wat werkt wel, wat niet.
SCHRIJF MEE >>
Als u 3 of meer artikelen per jaar schrijft, ontvangt u een gratis pro-abonnement twv €200,--