Er hangt rond dit Nederlands elftal een merkwaardige dubbelheid. Aan de ene kant zie je veel kwaliteit. Spelers van Liverpool, Barcelona, Manchester City, Tottenham, Bayern-achtige omgevingen, de Premier League, La Liga, Serie A. Namen genoeg. Virgil van Dijk is nog altijd een verdediger van wereldklasse. Frenkie de Jong blijft een van de weinige Nederlandse spelers die werkelijk het ritme van een wedstrijd kan veranderen. Tijjani Reijnders heeft loopvermogen en scorend vermogen. Ryan Gravenberch heeft fysiek, techniek en overzicht. Cody Gakpo kan beslissend zijn. Xavi Simons heeft flair. Jeremie Frimpong, Denzel Dumfries, Micky van de Ven en Nathan Aké brengen snelheid, kracht en internationale ervaring.
En toch voelt het niet als een elftal dat vanzelfsprekend wereldkampioen kan worden.
Misschien komt dat doordat veel Nederlandse spelers wel bij topclubs spelen, maar daar lang niet altijd de dragende figuren zijn. Ze zitten in de buurt van de top, ze draaien mee in de top, ze zijn onderdeel van grote selecties, maar ze zijn niet allemaal de spelers om wie een elftal gebouwd wordt. Van Dijk is dat geweest en op onderdelen nog steeds. Frenkie de Jong is dat in aanleg ook. Maar bij veel anderen blijft het meer de vraag: zijn dit de mannen die een toernooi naar zich toe trekken, of zijn het vooral goede schakels in sterke clubteams?
Daar zit precies de twijfel rond dit Oranje. Het is geen slecht elftal. Integendeel. Het is een subtopper met uitschieters naar boven. Een ploeg die op een goede dag van bijna iedereen kan winnen, maar ook een ploeg die kwetsbaar wordt zodra de structuur niet klopt.
Die kwetsbaarheid heeft ook te maken met de manier waarop Nederland nog altijd graag wil voetballen. Het oude Nederlandse idee is herkenbaar: hoog staan, de tegenstander vastzetten, het veld klein maken, druk naar voren, veel spelers op de helft van de tegenstander. Dat kan prachtig zijn, maar het vraagt om heel specifieke spelers. Je hebt een spits nodig die halve kansen afmaakt. Je hebt middenvelders nodig die na balverlies onmiddellijk goed staan. Je hebt verdedigers nodig die grote ruimtes achter zich kunnen verdedigen. En je hebt aanvallers nodig die na balverlies direct meedoen in de tegenpressing.
Als dat allemaal klopt, dan is hoog drukzetten echte dominantie. Als het niet klopt, wordt het schijndominantie. Dan staat Nederland wel op de helft van de tegenstander, maar controleert het de wedstrijd niet echt. Dan zie je veel balbezit, veel combinaties, veel aanwezigheid rond de zestien, maar te weinig echte dreiging. En bij balverlies ligt er ineens een enorm veld open.
Dat deed soms denken aan Liverpool van het afgelopen seizoen: veel energie, veel druk, veel aanvallen, maar ook kwetsbaarheid zodra de tegenstander onder die eerste druk uitkwam. Het probleem lijkt dan bij de verdedigers te liggen, maar vaak begint het eerder. Bij de afstanden. Bij de restverdediging. Bij de timing van drukzetten. Bij het ontbreken van een echte afmaker voorin, waardoor je veel moet creëren om relatief weinig rendement te halen.
Dat laatste is misschien wel het grootste verschil met vroegere Nederlandse elftallen. Nederland had vroeger spitsen en aanvallers die wedstrijden konden dragen: Marco van Basten, Dennis Bergkamp, Patrick Kluivert, Ruud van Nistelrooij, Robin van Persie. Dat waren geen frommelspitsen, maar spelers met gezag. Spelers die een elftal een eindpunt gaven. Nu heeft Oranje aanvallende kwaliteit, maar geen vanzelfsprekende wereldspits. Memphis Depay heeft veel betekend, maar lijkt niet meer de man om wie je een WK-campagne moet bouwen. Gakpo is goed, maar ook voorspelbaarder geworden. Malen heeft diepte en doelgerichtheid, maar is grillig. Brobbey heeft kracht, maar nog niet de internationale vanzelfsprekendheid.
Misschien vraagt dit elftal daarom juist om meer verrassing. Niet automatisch vasthouden aan namen, reputaties en patronen, maar durven kijken naar wat een wedstrijd nodig heeft. Waarom niet eens Summerville en Noah Lang of Xavi Simons samen laten beginnen? Waarom niet Malen in de spits, met meer snelheid en beweeglijkheid om hem heen? Waarom niet Gakpo een keer passeren als het elftal voorspelbaar wordt? Dat klinkt streng, want Gakpo is een goede voetballer, maar goede voetballers zijn niet altijd de juiste voetballers voor een specifiek wedstrijdbeeld.
Het middenveld is ook interessant. Met Frenkie de Jong, Gravenberch en Reijnders heb je op papier veel kwaliteit. Maar kwaliteit is nog geen balans. Frenkie kan lager spelen en de opbouw verzorgen. Gravenberch kan kracht en passing brengen. Reijnders kan diepgaan en in de zestien verschijnen. Maar wie bewaakt de ruimte? Wie voelt wanneer het tempo eruit moet? Wie voorkomt dat Nederland met te veel mensen vóór de bal komt? Dat zijn geen kleine vragen. Zeker niet tegen ploegen die snel en direct kunnen omschakelen.
En dan is er Van Dijk. Hij blijft belangrijk. Misschien zelfs onmisbaar. Hij heeft uitstraling, kopkracht, ervaring en leiderschap. Hij kan nog altijd een wedstrijd overeind houden en is bij standaardsituaties gevaarlijk. Tegelijkertijd is het logisch om je af te vragen of hij het echte snelle werk nog altijd even gemakkelijk aankan. Niet omdat hij ineens geen topverdediger meer is, maar omdat leeftijd en ruimtes een rol spelen. Als Nederland hoog staat en de afstanden groot worden, moet ook Van Dijk dingen oplossen die eigenlijk al eerder in het elftal opgelost hadden moeten worden.
Toch is dit sceptische verhaal maar één kant van het verhaal.
Want Nederland is óók een toernooiland. Dat vergeten we soms. Oranje oogt vaker kwetsbaar dan onaantastbaar, maar komt op grote toernooien geregeld verder dan de stemming vooraf doet vermoeden. In 1974 was er vooraf ook geen nationale zekerheid dat Nederland de wereld zou gaan veroveren. In 1978 ontbraken Johan Cruijff en Willem van Hanegem, en toch haalde Nederland de finale. In 2010 werd Oranje tweede. In 2014 derde. Op het EK van 2024 haalde Nederland de halve finale en verloor het pas laat van Engeland. In de laatste drie gevallen had niemand van te voren een hoge pet op van de Nederlandse prestaties.
Dat is geen toeval. Nederlandse spelers zijn doorgaans tactisch geschoold. Ze kunnen zich aanpassen. Ze zijn gewend aan druk. En in toernooien ontstaat soms iets wat je vooraf niet kunt voorspellen: een speler staat op, een wissel pakt goed uit, een wedstrijd kantelt, een groep begint te geloven.
Daar ligt de hoop voor dit Oranje. Niet in de gedachte dat Nederland het beste elftal van het toernooi heeft. Dat heeft het waarschijnlijk niet. Niet in de gedachte dat het systeem vanzelf alles oplost. Dat doet het niet. De hoop ligt in ontwikkeling tijdens het toernooi. In Summerville die brutaal wordt. In Simons die niet alleen mooi speelt, maar beslissend wordt. In Malen die doelgerichtheid brengt. In Gravenberch die de speler wordt die hij op zijn beste momenten bij Liverpool leek te worden. In Reijnders die zijn loopvermogen omzet in goals. In Frenkie die de rust bewaart. In Van Dijk die nog één groot toernooi uit zijn lijf haalt.
De wedstrijd tegen Zweden wordt daarom meer dan een groepswedstrijd. Het wordt een test op volwassenheid. Zweden is fysiek, direct, doelgericht en begon sterk. Tegen zo’n ploeg kun je niet alleen mooi willen voetballen. Dan moet je ook slim zijn. Dan moet je weten wanneer je druk zet en wanneer je lokt. Wanneer je versnelt en wanneer je vertraagt. Wanneer je domineert en wanneer je simpelweg de organisatie bewaakt.
Misschien is dat de kern: Nederland moet niet bewijzen dat het nog steeds volgens het oude Nederlandse ideaal kan spelen. Nederland moet bewijzen dat het volwassen genoeg is om van dat ideaal af te wijken wanneer de wedstrijd daarom vraagt.
Dit Oranje kan alle kanten op. Het kan een rommelig toernooi worden waarin de kwetsbaarheid steeds zichtbaarder wordt. Het kan ook zomaar een toernooi worden waarin een paar spelers opstaan, waarin de kritiek verstomt, waarin Nederland via een onwaarschijnlijke route toch ver komt. Dat past óók bij Oranje. Vooraf gemor, twijfel, discussie over de spits, kritiek op de bondscoach, zorgen over de verdediging — en dan ineens staat Nederland toch in een kwartfinale of halve finale.
Wereldkampioen? Dat blijft moeilijk voorstelbaar. Maar uitsluiten kun je Nederland nooit helemaal. Daarvoor is de geschiedenis te eigenwijs.
Deel uw ervaringen op ManagementSite
Wij zijn altijd op zoek naar ervaringen uit de praktijk, wat werkt wel, wat niet.
SCHRIJF MEE >>
Als u 3 of meer artikelen per jaar schrijft, ontvangt u een gratis pro-abonnement twv €200,--