Een grote groep Nederlanders heeft moeite om rond te komen. Bijna vier op de tien huishoudens, volgens het recentste Nibud-onderzoek. Annemarie van Gaal schreef er in de Telegraaf een column over, die Managementsite overnam (30/6):
Het toeslagencircus is te ingewikkeld, werkenden die het nodig hebben vinden de weg niet, en dus moeten de toeslagen worden afgeschaft en moet de inkomstenbelasting omlaag zodat werken weer loont.
Haar diagnose van stress en complexiteit klopt. Maar haar kader klopt niet.
De ‘calculerende burger’ riedel
Wie, zoals Van Gaal, het probleem definieert als “de calculerende burger” en “het paradijs voor wie wel kan maar niet wil werken”, is niet bij de tijd. Het morele oordeel over burgers is analytisch en historisch verouderd en het leidt af van wat er werkelijk mis is: het ontwerp van het stelsel. Belastingen en sociale zekerheid zijn te complex, gebaseerd op wantrouwen en leunen zwaar op het doenvermogen van burgers. Wie werkt, een uitkering heeft of studeert, moet zijn weg vinden in de doolhoven van inkomensgrenzen, toeslagen, uitzonderingen en terugvorderingen. Het resultaat is niet massaal misbruik. Het is onderbenutting van rechten, uitstelgedrag en een constante angst om iets fout te doen.
Het stelsel is geen vangnet, het is een dwangbuis: het dwingt iedereen in hokjes en legt de bewijslast vooral bij de mensen die de minste regie hebben.
Daar komt een tweede blinde vlek bij, en die is minstens zo bepalend. Een groeiende groep werkenden draagt tot aan de bijstand alle risico’s zelf. Zzp’ers, kleine ondernemers, mensen met losse opdrachten, mensen die schakelen tussen banen of loondienst combineren met zorg en studie. Zij dragen elk risico zelf. Gaat het mis door ziekte, vraaguitval of pech, dan vallen zij diep. Inkomensondersteuning is er pas in laatste instantie met veel voorwaarden en stigma. Eerst spaargeld aanspreken, buffers opeten, het inkomen van de partner in het systeem trekken, en pas dan, aankloppen bij de bijstand. Voor hen is Nederland allerminst een paradijs.
Wie wil dat werken weer loont, moet dus niet alleen naar belasting en toeslagen kijken, maar ook naar de architectuur van inkomensbescherming zelf.
Daar schiet Van Gaals antwoord tekort. Haar voorstel, toeslagen afschaffen en de inkomstenbelasting verlagen, helpt wie stabiel verdient en netto meer wil overhouden. Maar een belastingkorting vangt geen inkomensschok op. De zzp’er wiens opdracht wegvalt, de mantelzorger die minder gaat werken, de werknemer die na een burn-out terugkeert: zij hebben geen behoefte aan een lagere belastingdruk, zij hebben behoefte aan lucht en rust op het moment dat het inkomen wegvalt. Van Gaals antwoord bereikt precies niet de groep die het hardst valt. Dat is een gevolg van de aard van het gat: het is niet fiscaal, het is institutioneel.
Wat Van Gaal wel juist ziet, is dat de grens tussen belastingen, toeslagen en inkomensbescherming allang is vervaagd. Toeslagen zijn inkomensbeleid, uitgevoerd via de Belastingdienst. Cees Peters bepleit om die reden in NRC (17/7) een burgerberaad over het belasting- en toeslagenstelsel, juist omdat de kluwen onontwarbaar is en om principiële keuzes vraagt. Dat twee zo verschillende stemmen hetzelfde symptoom zien, bevestigt het beeld: heffing en inkomensbescherming zijn door elkaar gaan lopen.
Stuur de huidige sociale zekerheid met pensioen
Er is een eenvoudig alternatief denkbaar voor inkomensbescherming in de sociale zekerheid. Geef iedere volwassene een persoonlijke inkomensrekening in de vorm van een trekkingsruimte van anderhalf keer het modale jaarsalaris, op dit moment rond de €70.000. Een rekening bedoeld als collectief georganiseerde buffer voor momenten waarop inkomen tijdelijk wegvalt of bewust wordt onderbroken: studie, werkloosheid, ziekte, zorgverlof, scholing, faillissement. Geen basisinkomen en geen blanco cheque, maar een voorziening met duidelijke voorwaarden en afgebakende gebruiksmomenten. Eén kanaal, uniforme spelregels, en hetzelfde basisrecht voor iedereen, ongeacht contractvorm of juridische status. Daarmee wordt inkomensbescherming voor werkenden een volksverzekering: een recht voor iedereen die meewerkt in de economie, losgemaakt van het arbeidscontract. Werknemer, zzp’er, kleine ondernemer of wie schakelt tussen vormen van werk: de trampoline is dezelfde.
Het recht geldt voor de levenscyclus, geen eenmalige toekenning. Wie werkt en inkomen genereert, bouwt zijn trekkingsrecht op, tot het volledige bedrag is bereikt. Wie het nodig heeft, maakt gebruik van zijn recht: bij werkloosheid of ziekte, maar ook voor een sabbatical of betaald ouderschapsverlof. De maandelijkse trekking volgt het eigen, gemiddelde inkomen, tot het maximum van de rekening. Het werkt als een rekening-courant voorziening: voor wie trekt, loopt het saldo terug; wie weer werkt, legt opnieuw in en vult het trekkingsrecht weer aan tot het volledige bedrag. Werken en inleggen vallen zo samen: eerst om de rekening op te bouwen, later om hem weer op peil te brengen.
Dat het bedrag voor iedereen gelijk is, is geen toeval maar een keuze. Voor wie minder verdient, reikt hetzelfde bedrag verder: het dekt meer maanden van zijn inkomen. Juist die groep loopt meer risico op fluctuatie op de arbeidsmarkt en op periodes van arbeidsongeschiktheid. Een gelijk bedrag is daarmee in werking progressief: wie de minste eigen buffers heeft en het grootste risico loopt, krijgt relatief het meeste trekkingsrecht. Dat is precies de logica van een volksverzekering: solidariteit niet via gedifferentieerde bedragen, maar via één recht dat zwaarder weegt waar het harder nodig is.
Dat verandert de logica van het stelsel. In plaats van een wirwar van regelingen, formulieren en uitzonderingen ontstaat één begrijpelijke voorziening. De burger hoeft niet telkens opnieuw te bewijzen in welk hokje hij valt. Juist daarin zit de winst: minder onzekerheid, minder administratieve frictie, minder vertraging op momenten dat snelheid van zekerheid ertoe doet. Voor zelfstandigen en kleine ondernemers doorbreekt dat de harde dichotomie tussen volledige eigen risicodracht en het zware regime van de bijstand. Het huidige systeem maakt hen pas zichtbaar als de situatie al geëscaleerd is: schulden, gezondheidsproblemen, bedrijfsbeëindiging zijn dan vaak al een feit. Een persoonlijke rekening geeft eerder lucht, eerder handelingsruimte, en dus een grotere kans op herstel voordat uitval permanent wordt. De vrije val wordt vervangen door een gecontroleerde sprong.
Belangrijk is wat deze rekening niet is. Zij vervangt niet iedere vorm van sociale bescherming en zij heft de bijstand niet op. Slechts een kleine groep, naar schatting 1,5 tot 2 procent van de beroepsbevolking, is blijvend aangewezen op minimumvoorzieningen. Voor hen blijft een vangnet nodig. De persoonlijke inkomensrekening is bedoeld voor de veel grotere groep die niet permanent buiten het arbeidsproces staat, maar in de loop van het leven periodes van terugval, zorg, ziekte of heroriëntatie kent. Het huidige systeem behandelt iedereen alsof hij tot die kleine groep behoort. Dat is duur, demotiverend en onnodig. Met de rekening keren we dat om: vertrouwen is het uitgangspunt, gerichte controle het sluitstuk.
Hoe gaan we het betalen?
Er is geen nieuw wonderfonds nodig: de financiering komt uit een andere ordening van gelden die al in het stelsel omgaan. Het toeslagbudget telt hier niet mee: de toeslagen en heffingskortingen vallen buiten dit voorstel. Wel komen andere stromen beschikbaar. De studiefinanciering is niet langer als aparte regeling nodig, want studeren is zelf een erkende trekking op de persoonlijke rekening; de bijbehorende gelden vloeien naar de rekeningen van jongeren die anders studiefinanciering zouden ontvangen. Sectorale fondsen, bijvoorbeeld voor ouderschapsverlof, worden gestort op de individuele rekeningen van wie in die sector werkt. En de overschotten in de WW- en Arbeidsongeschiktheidfondsen vormen een eerste basis voor de overgang van het oude naar het nieuwe stelsel. Daarnaast verbreedt de inlegbasis: zodra zelfstandigen en kleine ondernemers volwaardig deel uitmaken van de kring van inleggers, wordt de volksverzekering wat de naam zegt. Zij worden zo niet in een oud werknemersmodel geperst; het voorstel erkent dat ook zij deel uitmaken van dezelfde economie van risico en bescherming. Vereenvoudiging levert daarbovenop middelen op die nu verdampen in uitvoering en controle.
Cruciaal is wat de rekening niet is: een kas die op dag één wordt leeggehaald. Het trekkingsrecht is administratief, geen contant bedrag dat voor het grijpen staat. De verwachting dat iedereen vanaf het begin massaal gebruik maakt, is absurd; het recht wordt pas aangesproken als inkomen wegvalt of bewust wordt onderbroken. De middelen worden aangesproken over tijd en in beheerste regelmaat, niet als een eenmalige claim op de begroting.
En misbruik dan?
Bij elk voorstel voor vereenvoudiging keert het argument terug: misbruik. Die zorg is niet verzonnen; misbruik bestaat. Maar de vraag is of een stelsel daarom volledig op wantrouwen moet worden gebouwd. Dat is in Nederland te lang wel gebeurd, en de toeslagenaffaire liet zien wat dat oplevert. De empirische werkelijkheid is dat aan de onderkant vooral non-take-up, onzekerheid en fouten het probleem zijn, niet een massale beweging van mensen die alle regelingen perfect uitmelken. Een stelsel dat misbruik tot nul wil reduceren, wordt onvermijdelijk zwaar, duur en hard. Een stelsel dat sneller herstel centraal stelt, accepteert dat volledige waterdichtheid niet bestaat en is gericht op een betere verhouding tussen eenvoud, rechtvaardigheid en uitvoerbaarheid.
Een idee is geen blauwdruk
Wat Van Gaal, Peters en dit voorstel verbindt is één roep: vereenvoudiging. Dit voorstel raakt één onderdeel van de inkomenszekerheid: vereenvoudiging van de sociale zekerheid. Het lost de problematiek van toeslagen en heffingskortingen niet op; de belastingkant van de kluwen is een eigen, zwaar dossier. Met Peters deelt dit voorstel bovendien het beginsel van democratisering: daar als burgerberaad over de lastenverdeling, hier als verbreding van wie er aanspraak op maakt.
De persoonlijke inkomensrekening is geen blauwdruk, maar een voorstel om een sociale zekerheid die is vastgelopen in complexiteit, wantrouwen en institutionele fragmentatie opnieuw te ordenen, rond één helder uitgangspunt: burgers hebben belang bij zekerheid die begrijpelijk, voorspelbaar en tijdig beschikbaar is. Daarmee is dit ook een uitnodiging tot gesprek. Waar zitten de gaten in dit concept? Welke overgangsproblemen worden onderschat? Wat is de verhouding tot cao’s, gemeenten, bestaande fondsen en uitvoeringsorganisaties?
Wie wil dat werken weer loont, komt niet weg met een morele tirade over burgers of een fiscale ingreep aan de randen. Dan moet de sociale zekerheid zelf worden hertekend. Niet als dwangbuis, maar als trampoline.
Auteur: Henry Leerentveld, directeur van Newways.dev en B&O wetenschapper.
Deel uw ervaringen op ManagementSite
Wij zijn altijd op zoek naar ervaringen uit de praktijk, wat werkt wel, wat niet.
SCHRIJF MEE >>
Als u 3 of meer artikelen per jaar schrijft, ontvangt u een gratis pro-abonnement twv €200,--