Nederland besteedt miljarden aan het stimuleren van innovatie. Maar wat gebeurt er wanneer succesvolle innovatie niet langer automatisch leidt tot méér werkgelegenheid?
Die vraag wordt urgenter door onderzoek van het Financieele Dagblad naar de Innovatiebox. De krant reconstrueerde welke ondernemingen het grootste fiscale voordeel ontvangen. De tien grootste ontvangers genoten over 2025 gezamenlijk ongeveer €2,95 miljard belastingvoordeel. Dat bedrag alleen al ligt boven de €2,9 miljard die voor de gehele regeling was begroot.
De concentratie is bovendien opmerkelijk. ASML ontving volgens het FD ongeveer €1,056 miljard voordeel, MSD €922 miljoen en Booking €661 miljoen. Organon (€71 miljoen), Adyen (€41 miljoen) en Wolters Kluwer (€27 miljoen) behoren eveneens tot de grote gebruikers.
Dat roept vanzelf vragen op over de verdeling van belastingvoordelen. Maar achter die fiscale discussie ligt een veel fundamentelere kwestie.
Wat gebeurt er wanneer de innovatie die we met miljarden stimuleren vooral leidt tot meer productiviteit, terwijl voor die productie steeds minder menselijke arbeid nodig is?
De traditionele innovatielogica
De Innovatiebox bestaat vanuit een herkenbare economische gedachte. Nederland wil aantrekkelijk zijn voor onderzoek, ontwikkeling en innovatieve bedrijvigheid.
De impliciete keten ziet er ongeveer zo uit:
innovatie → investeringen → productiviteit → bedrijfsgroei → hoogwaardige werkgelegenheid → economische groei
Dat is ook de reden waarom alleen kijken naar het bedrag van het fiscale voordeel te gemakkelijk is.
Het betreft geen subsidie die rechtstreeks naar bedrijven wordt overgemaakt, maar een lager belastingtarief op kwalificerende innovatieve winst. Bovendien zijn de Nederlandse inkomsten uit de vennootschapsbelasting volgens het FD gestegen van €13 miljard in 2010 naar ongeveer €50 miljard in 2025.
Het kabinet verdedigt de Innovatiebox dan ook met het argument dat deze per saldo een positief effect heeft op de Nederlandse economie. Gebruik van de regeling betekent volgens het kabinet bovendien dat ondernemingen belangrijke economische activiteiten in Nederland ontplooien en hier belasting betalen.
Maar precies hier begint het AI-vraagstuk.
AI verbreekt mogelijk de historische relatie tussen groei en werkgelegenheid
Generatieve AI, AI-agents en uiteindelijk robotics veranderen de productiefunctie van organisaties.
Werk waarvoor vroeger tien professionals nodig waren, kan misschien straks door zes professionals met AI worden uitgevoerd. En daarna wellicht door vier professionals die een verzameling gespecialiseerde agents aansturen.
Dat betekent niet noodzakelijk dat er onmiddellijk vier of zes mensen worden ontslagen. De verandering kan veel subtieler verlopen.
Een organisatie neemt minder juniors aan. Vacatures die ontstaan door natuurlijk verloop worden niet meer ingevuld. Teams worden kleiner. Een professional krijgt meer klanten of dossiers onder zijn verantwoordelijkheid. AI voert analyses, voorbereidend onderzoek, verslaglegging en controles uit. Managers kunnen grotere spans of control krijgen.
De omzet kan ondertussen gewoon blijven stijgen. Daarmee ontstaat een andere economische keten:
innovatie → AI & agents → hogere productiviteit → lagere marginale arbeidsbehoefte → hogere winst → hogere bedrijfswaarde
De ontbrekende schakel is opvallend: meer werkgelegenheid.
Dat hoeft geen probleem te zijn. Hogere arbeidsproductiviteit is juist noodzakelijk voor een vergrijzende Nederlandse economie met structurele personeelstekorten.
Maar het wordt wél een probleem wanneer de baten van die productiviteit sterk geconcentreerd raken terwijl de transitiekosten bij werknemers en samenleving terechtkomen.
Van baanverlies naar Human Hollowing
Daarom is de discussie over de vraag hoeveel banen AI gaat vernietigen eigenlijk te beperkt.
Een waarschijnlijker eerste effect is wat ik eerder Human Hollowing heb genoemd: organisaties blijven groeien of produceren minstens evenveel, maar de menselijke structuur binnen die organisaties wordt dunner.
Dat kan bijvoorbeeld betekenen:
- minder instroomfuncties;
- kleinere professionele teams;
- automatisering van routinematig kenniswerk;
- minder tussenlagen;
- hogere outputverwachtingen per medewerker;
- concentratie van werk rond een kleinere groep ervaren professionals.
Het resultaat is geen lege organisatie, het is een hollere organisatie. En juist dat kan grote gevolgen hebben voor professionals.
De carrièreladder kan verdwijnen voordat de baan verdwijnt
Neem een traditioneel kennisintensief beroep: een junior begint met onderzoek, analyses, documentatie en eenvoudige klantvragen. Naarmate de ervaring groeit, worden de problemen complexer en neemt de verantwoordelijkheid toe.
Maar juist veel van die instaptaken zijn geschikt voor AI, daarmee ontstaat een merkwaardige paradox.
AI kan het werk van een ervaren professional aanzienlijk productiever maken, maar tegelijkertijd een deel van het werk wegnemen waarmee de volgende generatie professionals die expertise zou moeten opbouwen.
Als AI de onderste sporten van de carrièreladder verwijdert, hoe bereiken jonge professionals dan nog de bovenste sporten?
Dat is uiteindelijk niet alleen een HR-vraagstuk. Het wordt een strategisch organisatievraagstuk.
Van Human Capital Allocation naar Human–AI–Robotics Allocation
Organisaties zullen daarom steeds explicieter moeten bepalen wie of wat welke werkzaamheden uitvoert.
Dat is de kern van het Human Capital Allocation Framework (HCAF).
De traditionele vraag: Hoeveel mensen hebben we nodig?
maakt plaats voor: Welke combinatie van menselijk kapitaal, AI en automatisering creëert voor deze activiteit de meeste duurzame waarde?
Die allocatie ontwikkelt zich inmiddels verder: Human → AI → AI Agents → Robotics
Daarbij moet niet uitsluitend worden gekeken naar kosten en productiviteit. Een goede allocatie houdt ook rekening met kwaliteit, risico, verantwoordelijkheid, klantwaarde én het behoud en de ontwikkeling van menselijke capabilities.
Want een onderneming kan op korte termijn zeer efficiënt worden door veel cognitief werk aan AI over te dragen en tegelijkertijd op langere termijn haar eigen menselijke kennisbasis uithollen.
Dat is het verschil tussen efficiency en capability security.
En daarmee komen we terug bij de Innovatiebox
Hier krijgt het FD-onderzoek een veel bredere betekenis: als Nederland jaarlijks miljarden aan belastinginkomsten opgeeft om innovatie mogelijk te maken, zou de overheid niet alleen moeten willen weten:
Hoeveel R&D vindt hierdoor in Nederland plaats?
Maar ook: Welke economische en menselijke capaciteit bouwen we ermee op?
Dat betekent niet dat belastingvoordeel simpelweg gekoppeld moet worden aan aantallen werknemers. Dat zou productiviteitsgroei juist kunnen ontmoedigen. Maar het betekent wel dat de maatschappelijke businesscase breder kan worden bekeken.
Bijvoorbeeld naar:
R&D + productiviteit + strategische autonomie + kennisontwikkeling + reskilling + nieuwe hoogwaardige activiteiten + ontwikkeling van menselijk kapitaal.
Dat is wezenlijk iets anders dan banen kunstmatig beschermen.
Het gaat om ervoor zorgen dat een deel van het innovatiedividend opnieuw wordt geïnvesteerd in de capaciteit van mensen om aan de volgende economie deel te nemen.
Naar een Innovatiebox 2.0?
Daarmee ontstaat een interessante gedachte. Niet: Innovatiebox afschaffen.
Maar: Innovatiebox 2.0.
Een fiscaal innovatiebeleid waarin naast technologische innovatie nadrukkelijker wordt gekeken naar de maatschappelijke capaciteit die daarmee wordt opgebouwd.
Dat wordt extra relevant omdat het huidige voordeel zeer geconcentreerd is. Duizenden ondernemingen gebruiken de regeling, maar voor kleinere bedrijven zijn de bedragen veel geringer. Voor het mkb bestaat bijvoorbeeld een forfaitaire variant die €4.000 fiscaal voordeel per onderneming kan opleveren. Het kabinet onderzoekt inmiddels hoe kleinere ondernemingen vaker van de Innovatiebox gebruik kunnen maken.
De vervolgvraag zou kunnen zijn:
kunnen we naast de spreiding van innovatiekapitaal ook de verspreiding van innovatiecapaciteit stimuleren?
De macroversie van Human Capital Allocation
Daarmee komt uiteindelijk een veel groter vraagstuk in beeld. HCAF is oorspronkelijk een allocatievraagstuk voor organisaties. Maar dezelfde logica kan op macroniveau worden toegepast.
Noem het voorlopig een National Human Capital Allocation Framework.
Dan kijken we niet alleen hoeveel Nederland investeert in technologie, maar naar de verhouding tussen:
Technology Capital
investeringen in AI, software, agents, robotics en R&D;
Human Capital Renewal
onderwijs, reskilling, professionele ontwikkeling en nieuwe carrièrepaden;
Labour Substitution
de hoeveelheid menselijke arbeid die door technologie wordt vervangen of vermeden;
Capability Creation
de nieuwe menselijke en organisatorische capabilities die door technologische innovatie ontstaan.
Daarmee ontstaat een andere maatstaf voor succesvol innovatiebeleid, niet alleen:
hoeveel extra economische waarde creëren onze meest innovatieve ondernemingen?
Maar:
hoeveel duurzame economische én menselijke capaciteit creëert Nederland met die innovatie?
De professional als cruciale schakel
Voor professionals betekent dit dat de belangrijkste vraag waarschijnlijk niet wordt: Neemt AI mijn baan over?
Een betere vraag is:
Welke positie neem ik in wanneer mijn organisatie opnieuw bepaalt welk werk door mensen, AI, agents en straks robots wordt uitgevoerd?
Dat vereist meer dan AI-geletterdheid.
Professionals zullen dienen te investeren in zaken die moeilijker overdraagbaar zijn: domeinkennis, oordeelsvorming, creativiteit, verantwoordelijkheid, menselijke interactie en het vermogen verschillende AI-systemen effectief te orkestreren.
De winnaars van de AI-transitie zijn daarom waarschijnlijk niet de professionals die het meeste werk aan AI kunnen delegeren.
Het zijn degenen die met AI meer waarde kunnen creëren zonder hun eigen menselijke capability uit te hollen.
En precies daar komen innovatiebeleid, organisatiestrategie en persoonlijke loopbaanstrategie bij elkaar.
Nederland heeft terecht een beleid om technologische innovatie te stimuleren.
De volgende stap is ervoor zorgen dat we tegelijkertijd blijven investeren in de mensen die in die innovatieve economie waarde moeten creëren.
Technologie maakt productiviteitsgroei mogelijk. Menselijk kapitaal bepaalt uiteindelijk hoe breed de opbrengsten daarvan in de samenleving terechtkomen.
Het vervolg, er komt namelijk ook een vervolg:
Van Innovatiebox naar Human Capital Conditionality?
Het debat over de Innovatiebox roept uiteindelijk een fundamentelere vraag op.
Mag de samenleving méér verwachten wanneer zij technologische innovatie financieel of fiscaal ondersteunt?
Dat wordt vooral relevant nu AI de historische relatie tussen innovatie, groei en werkgelegenheid verandert. Innovatie kan leiden tot spectaculaire productiviteitsgroei zonder een vergelijkbare groei van menselijke arbeid.
Daarom introduceer ik hier voorlopig het begrip Human Capital Conditionality:
Human Capital Conditionality is het principe dat publieke ondersteuning van technologische innovatie niet uitsluitend wordt beoordeeld op economische en technologische output, maar ook op de mate waarin zij bijdraagt aan de vernieuwing en ontwikkeling van menselijk kapitaal.
Dat betekent nadrukkelijk niet dat ondernemingen die publieke ondersteuning ontvangen bestaande banen moeten behouden. Zo'n voorwaarde zou innovatie en noodzakelijke productiviteitsgroei juist kunnen belemmeren.
De conditionaliteit zou ergens anders moeten liggen.
Een onderneming die dankzij AI met minder mensen meer waarde kan produceren, zou bijvoorbeeld tegelijkertijd kunnen investeren in:
- reskilling en upskilling;
- nieuwe instroom- en ontwikkelpaden;
- menselijke expertise die complementair is aan AI;
- kennisoverdracht en samenwerking met onderwijs en mkb;
- duurzame employability van medewerkers;
- nieuwe capabilities die nodig zijn in een Human–AI-organisatie.
Daarmee verschuift het uitgangspunt van: protect the job
naar: protect and renew human capability.
Dat onderscheid wordt cruciaal. Want wanneer Nederland miljarden investeert in technologische innovatie, terwijl AI tegelijkertijd delen van menselijke arbeid substitueert, ontstaat uiteindelijk een verdelingsvraagstuk: wie ontvangt het innovatiedividend en wie draagt de transitiekosten?
Human Capital Conditionality kan een manier zijn om beide opnieuw met elkaar te verbinden, niet door technologische vooruitgang af te remmen, maar door een deel van de economische ruimte die technologische vooruitgang creëert bewust te gebruiken voor de ontwikkeling van de mensen die in de volgende economie nodig zijn.
Daarmee ontstaat bovendien een logische verbinding met het Human Capital Allocation Framework (HCAF).
HCAF stelt binnen organisaties de vraag:
welke combinatie van Human → AI → Agents → Robotics creëert de meeste duurzame waarde?
Human Capital Conditionality voegt daar op maatschappelijk niveau een tweede vraag aan toe:
als die allocatie verschuift van mensen naar technologie, hoe zorgen we er dan voor dat ook het menselijke kapitaal wordt vernieuwd?
Dat is een vraag die veel verder reikt dan de Innovatiebox, en daarmee vormt zij het vertrekpunt voor een volgende bijdrage.
Deel uw ervaringen op ManagementSite
Wij zijn altijd op zoek naar ervaringen uit de praktijk, wat werkt wel, wat niet.
SCHRIJF MEE >>
Als u 3 of meer artikelen per jaar schrijft, ontvangt u een gratis pro-abonnement twv €200,--