'Gedrag wordt niet bepaald door één plek in het brein, maar door de tijdelijke dominantie van netwerken. Nieuwe vaardigheden ontstaan niet door uitleg, maar door ervaring, herhaling en context. En oude patronen verdwijnen niet, ze verliezen hun vanzelfsprekendheid.'
Wie zich tegenwoordig verdiept in leren en veranderen, stuit al snel op het idee dat keuzes en gedrag niet zomaar ontstaan, maar voortkomen uit concurrerende netwerken in het brein. Het klinkt intuïtief: wat vaker gebruikt wordt, wordt sterker. Wat zelden of niet meer geactiveerd wordt, verliest aan invloed. Maar hoe letterlijk moeten we dat nemen? Leggen we bij leren echt nieuwe netwerken aan? En zijn die bekende hersendelen waar we zo makkelijk over spreken eigenlijk wel echte, afgebakende onderdelen?
Deze vragen raken aan de kern van hoe we leren begrijpen, zowel neurologisch als onderwijskundig.
Nieuwe dingen leren: bouwen of hergebruiken?
Wanneer we iets nieuws leren, ontstaat vaak het beeld dat er een volledig nieuw neuronen-netwerk wordt aangelegd. Alsof het brein ergens lege cellen heeft liggen die nu eindelijk een functie krijgen. Zo simpel is het niet. In de praktijk hergebruikt het brein vooral bestaande neuronen en verandert het de manier waarop ze met elkaar verbonden zijn. De kracht van leren zit dus niet in het aanmaken van nieuwe cellen, maar in het aanpassen van verbindingen tussen cellen.
Daar spelen vooral corticale neuronen een rol, waaronder piramidecellen. Dat zijn geen geheugenbakjes, maar knooppunten die signalen doorgeven en combineren. Wat opgeslagen wordt, zit niet in één cel, maar in het patroon van verbindingen tussen veel cellen tegelijk. Leren is daarmee geen opslagprobleem, maar een organisatieprobleem.
Versterken en verzwakken van netwerken
Als leren neerkomt op het veranderen van netwerken (en dat doet het volgens laatste inzichten), rijst vanzelf de vraag of je die netwerken ook bewust kunt versterken of verzwakken. Het korte antwoord is: ja, maar niet op een puur rationele manier.
Een netwerk wordt sterker door herhaalde activatie, vooral in betekenisvolle contexten. Bewust nadenken kan helpen, maar is zelden voldoende. Het brein leert vooral door doen, door ervaren, door emotionele betrokkenheid en door herhaling in situaties die lijken op de werkelijkheid. Een oud netwerk verzwakt niet omdat je besluit het niet meer te willen, maar omdat het minder vaak wordt gebruikt of omdat een alternatief netwerk het steeds wint in vergelijkbare situaties.
In die zin is gedragsverandering geen kwestie van wissen, maar van concurrentie! Oude patronen verdwijnen niet, ze raken hun dominante positie kwijt. Ze kunnen echter ook steeds weer even opleven. De boodschap: ga geduldig om met weerstand.
Wat betekent dit voor trainen en opleiden?
Voor wie anderen iets wil leren, of zijn medewerkers een veranderplannetje wil meedelen, heeft dit een ongemakkelijke consequentie. Inzicht overdragen is niet genoeg. Als het oude netwerk niet eerst wordt geactiveerd, kan het nieuwe netwerk er niet mee concurreren. Dat betekent dat deelnemers vaak eerst mogen doen wat ze altijd doen, ook als dat niet effectief is. Pas wanneer dat oude patroon voelbaar tekortschiet, ontstaat ruimte voor een alternatief.
Een training die werkelijk gedrag wil veranderen, organiseert dus situaties waarin bestaande reflexen net niet werken en waarin een nieuw handelingsperspectief direct ervaren kan worden als effectiever. Dat vraagt om concrete oefeningen, beperkte keuzeruimte en herhaling onder lichte druk. Theorie kan helpen om te begrijpen wat er gebeurt, maar het echte leerwerk zit in de ervaring.
Zijn hersengebieden echte ‘blokjes’?
In dit soort gesprekken duiken al snel termen op als hippocampus, prefrontale cortex, orbitofrontale cortex en het gebied van Broca. De vraag is dan of dit echte, waarneembare onderdelen zijn of vooral handige labels.
Het antwoord is genuanceerd. Deze gebieden zijn anatomisch herkenbaar en zichtbaar op hersenscans. Ze hebben een karakteristieke ligging en een eigen opbouw van cellen en verbindingen. In die zin bestaan ze echt. Maar het zijn geen harde blokjes met één functie. De grenzen zijn vloeiend en de functies overlappen. Een gebied als dat van Broca is bijvoorbeeld niet alleen betrokken bij taal, maar ook bij planning en structuur in bredere zin.
Functies zitten dus niet in gebieden op zichzelf, maar in netwerken die meerdere gebieden tegelijk gebruiken.
Evolutionair oud en evolutionair jong
Dan nog een hardnekkig idee: dat evolutionair oudere hersendelen sterkere netwerken zouden produceren dan jongere, zoals de prefrontale cortex. Ook dat klopt maar gedeeltelijk.
Oudere netwerken zijn niet sterker in termen van capaciteit of intelligentie. Ze zijn wel sneller, energiezuiniger en directer gekoppeld aan overleving. Onder stress, tijdsdruk of sociale dreiging krijgen ze daardoor vaak voorrang. Het brein kiest dan niet het beste idee, maar het snelste patroon dat ooit heeft gewerkt.
Jongere, meer reflectieve netwerken functioneren uitstekend in veilige omstandigheden, met tijd en overzicht. Ze zijn geen baas over de oudere systemen, maar een aanvulling die alleen beschikbaar is als de omstandigheden dat toelaten.
Tot slot
Wie leren en veranderen serieus neemt, kan niet om deze netwerklogica heen. Gedrag wordt niet bepaald door één plek in het brein, maar door de tijdelijke dominantie van netwerken. Nieuwe vaardigheden ontstaan niet door uitleg, maar door ervaring, herhaling en context. En oude patronen verdwijnen niet, ze verliezen hun vanzelfsprekendheid.
Dat inzicht maakt leren minder maakbaar dan soms wordt gedacht, maar ook realistischer. En uiteindelijk effectiever.
www.bertoverbeek.com
Deel uw ervaringen op ManagementSite
Wij zijn altijd op zoek naar ervaringen uit de praktijk, wat werkt wel, wat niet.
SCHRIJF MEE >>
Als u 3 of meer artikelen per jaar schrijft, ontvangt u een gratis pro-abonnement twv €200,--