Wie lang genoeg meeloopt in de managementwereld en in het trainers- en coachingsvak herkent het patroon. Nieuwe managers en trainers, vaak rond de dertig en veertig, vol energie, idealisme en scherpte, stappen het vak in met dezelfde boodschap die hun voorgangers zelf ooit hadden. En dit doen ze niet zelden vanuit een houding, alsof ze het hoogstpersoonlijk hebben bedacht.
Zo willen ze mensen laten zien dat ze vastzitten in aannames, geen oordeel 'mogen' hebben, dat organisaties gevangen zijn in heilige huisjes, dat het anders moet en anders kán. Ze benoemen patronen, doorbreken vanzelfsprekendheden, prikkelen en confronteren.
En dan hoor je aan de zijlijn het geïrriteerde gemompel. Oudere collega’s, door de wol geverfd, soms wat vermoeid en zuur: 'Hebben ze het daar nou nóg over?' 'Hartstikke goed, hoor, maar we deden het in de tachtiger en negentiger jaren ook al?' 'Dat weten we toch inmiddels wel?'
De irritatie is begrijpelijk. Je hebt het zelf al eens uitgedacht, uitgeprobeerd, verdedigd, verfijnd en soms ook weer losgelaten. Je hebt gezien wat werkte en wat niet. Je kent de beperkingen van grote woorden en kleine doorbraken. En ja, dan kan het voelen alsof je naar een herhaling zit te kijken van een film die je al te vaak hebt gezien. Met andere acteurs dan jij. En dat voelt natuurlijk niet lekker...
Maar juist daar zit een valkuil.
Wat we gemakkelijk vergeten, is dat inzichten niet overdraagbaar zijn zoals kennis. Je kunt iemand vertellen dat organisaties zich vastklampen aan oude zekerheden, maar dat is iets heel anders dan het zelf ontdekken. Je kunt zeggen dat verandering zelden lineair verloopt, maar pas als je het aan den lijve ondervindt, krijgt het betekenis. Elke generatie moet die ontdekkingsreis zelf maken, met haar eigen taal, voorbeelden en missers.
Het opnieuw uitvinden van het wiel is geen teken van naïviteit. Het is een noodzakelijke ontwikkelingsstap. Zonder die fase van overtuiging, strijd en soms overschatting ontstaat er geen vakmanschap. Er groeit geen diepgang zonder eerst breedte te hebben verkend. Je kunt dingen rationeel weten, maar dan moet je ze toch nog doorleven om ze ook gevoelsmatig te weten en te begrijpen.
Voor oudere trainers en coaches ligt hier een ongemakkelijke maar waardevolle opdracht. Niet om te corrigeren, niet om te relativeren met 'wacht maar af'-dedain maar om ruimte te geven. Om te coachen in plaats van te vergelijken. Om jongere collega’s in hun kracht te zetten, juist omdat je herkent waar ze staan.
Dat vraagt iets lastigs: het loslaten van de behoefte om gelijk te krijgen. Het vraagt ook het verdragen van de herhaling. Maar het levert iets op wat misschien wel belangrijker is dan gelijk: continuïteit van het vak. En vergeet niet dat het toch mooi is, als een ander enthousiast wordt van iets dat jou ooit ook heeft geraakt.
De echte verschuiving zit namelijk niet in wat er wordt gezegd (heilige huisjes, patronen, aannames) maar in wie het zegt, tegen wie, en in welke tijd. Elke generatie spreekt haar eigen tijd aan. Wat twintig jaar geleden scherp was, is nu achtergrondruis geworden. Wat nu wordt uitgesproken, raakt weer andere zenuwen.
Misschien is dit wel een van de belangrijkste tekenen van vakvolwassenheid: dat je niet meer hoeft te bewijzen dat je het eerder wist. Dat je kunt zien hoe het vak zich herhaalt én vernieuwt tegelijk. En dat je mild kunt kijken naar jonge collega’s die vol vuur hetzelfde pad bewandelen dat jij ooit ging, ondanks jouw ervaring en dankzij de ruimte die jij nu kunt geven.
Wie dat kan, draagt het vak niet alleen over, maar houdt het levend.
www.bertoverbeek.com
Deel uw ervaringen op ManagementSite
Wij zijn altijd op zoek naar ervaringen uit de praktijk, wat werkt wel, wat niet.
SCHRIJF MEE >>
Als u 3 of meer artikelen per jaar schrijft, ontvangt u een gratis pro-abonnement twv €200,--