Tijdens een traject over vergaderen sprak ik Ellen, teamleider in een technische organisatie. Ze had een trainee wiens jaarcontract over twee maanden zou aflopen. In elk overleg wipte hij op de achterste twee stoelpoten, ogenschijnlijk ongeïnteresseerd, met zijn armen achter het hoofd. Hij was er twee keer op aangesproken en het gedrag stond inmiddels als aandachtspunt in zijn gespreksverslag. Ellen moest een onderbouwd verlengingsvoorstel bij HR indienen en neigde ernaar het contract niet te verlengen. Ze vroeg mij: wat moet ik hier nou mee?
Ik stelde één vraag. Wat had hij van het laatste overleg onthouden? Ze wist het niet; ze had het nooit gecontroleerd. Toen zij dat navroeg, bleek hij de enige met een volledige besluitenlijst inclusief data. De rest van het team wist ongeveer wat er besproken was. Hij wist het precies. Volgens hem hielp het wippen om tijdens een lange uitleg geconcentreerd te blijven. Het gedrag had Ellens oordeel over zijn functioneren inmiddels wel gekleurd, terwijl niemand had gecontroleerd wat hij inhoudelijk uit de overleggen meenam.
Er stond al een aandachtspunt in het verslag voordat iemand één vraag over de inhoud had gesteld. Ellen is geen slechte leidinggevende. Ze deed wat we allemaal doen: iemand inschatten op wat zichtbaar is. In de vergadering, in de Teams-galerij, in het voortgangsgesprek. Iemand kijkt weg, friemelt met een pen, wrijft duim en wijsvinger langs elkaar of verandert voor de vierde keer van zithouding. De vertaling volgt binnen een seconde: afgeleid, gespannen, ongemotiveerd. Wie stilzit, gaat even gemakkelijk door voor betrokken.
In een training kost zo’n vertaalfout gemakkelijk leerrendement. In een beoordelingsgesprek kan hij iemands loopbaan raken. Ik herken de fout omdat ik hem zelf heb gemaakt.
- Hoe ik het zelf verkeerd deed
In het begin van mijn trainersloopbaan gaf ik een training aan klinisch psychologen. Een doelgroep waarvan je verwacht dat innerlijke rust tot de corebusiness behoort. Hun motoriek zei iets anders.
Één deelnemer trok al snel mijn aandacht. Laat ik haar Karlijn noemen. Begin dertig, scherp, merkbaar intelligent, en ze droeg felgele Onitsuka-sneakers, waardoor haar rusteloze voet moeilijk te missen was. Aan het begin van iedere leesopdracht wiebelde die in een nerveus tempo. Naarmate de tekst haar aandacht sterker opeiste, vertraagde de beweging. Zodra ze verzonken raakte in de tekst, stond de felgele sneaker stil.
Naast Karlijn zat Jochem, begin veertig, een man van de inhoud met veel gevoel voor nuchterheid en weinig gevoel voor decorum. Ik vermoedde dat zijn kledingkast bestond uit meerdere exemplaren van dezelfde jeans en sweater. Tijdens de training bewoog hij voortdurend een pen tussen zijn wijs- en middelvinger.
Op de tweede ochtend zei ik, vriendelijk en behulpzaam bedoeld: “Misschien helpt het als je die pen even weglegt.” Hij legde hem neer. Binnen tien minuten werden zijn antwoorden vager, zijn blik trager en zijn vragen algemener. Wat ik voor ruis had aangezien, bleek samen te vallen met zijn scherpste aandacht.
Wat ik daar deed, was mijn eigen norm handhaven en die uitleggen als een meting. Rust betekende voor mij aandacht, dus was beweging een probleem. Die norm zit ook stevig verankerd in organisaties. De ouderwetse instructie “stilzitten en je werk doen” verwart orde met betrokkenheid, en dient zich nu in een hedendaagse vorm aan: camera aan, laptops dicht, telefoons van tafel. Wie rustig oogt, krijgt het voordeel van de twijfel. Wie beweegt, krijgt een veelzeggende blik.
Jochem heeft het mij nooit nagedragen. Ik reken het mijzelf nog wel aan. Ik had drie dagen om die groep verder te helpen en verspeelde er een deel van met een aanwijzing die ik voor professionaliteit hield. - Twee mensen, twee dialecten
Karlijn en Jochem waren elkaars tegenpool. Toen ik Karlijn scherpe vragen stelde over de tekst, herhaalde zich het patroon van het geconcentreerde lezen: haar voet bewoog minder. Haar antwoorden waren precies en ze legde snel verbanden. Bij Jochem gold het omgekeerde. Zolang de pen bewoog, volgde hij scherp en paste hij de stof correct toe. Zodra de pen stilviel, werden zijn blik en zijn antwoorden minder scherp.
Voor beide patronen zijn aanwijzingen in de literatuur. Witchel en collega’s lieten 27 volwassenen twee vergelijkbare leestaken uitvoeren. Tijdens de boeiendere taak namen hoofd- en bovenbeenbewegingen met ongeveer 42 procent af. Zij noemen deze afname non-instrumental movement inhibition: het remmen van bewegingen die niet nodig zijn voor de taak. Voor het spiegelbeeld is de basis smaller. In een recente Japanse studie met 28 jonge volwassenen leidde opgedragen friemelen met hand of been tot meer pupilverwijding, die in het onderzoek als maat voor fysiologische activatie werd gebruikt. De prestaties op vier luistertaken verschilden niet meetbaar van die in de controleconditie. Dat bewijst Jochems patroon nog niet. Als tegenwicht tegen de reflex om beweging altijd als afleiding te lezen, doet die studie wel haar werk.
Dezelfde beweging kan dus samenhangen met verveling, spanning, mentale inspanning, gewoonte of zelfregulatie. Het gebaar zegt weinig. Het moment waarop het verandert, zegt meer. Motoriek is een aanleiding om te controleren, nooit zelfstandig bewijs voor aandacht of prestaties. Om er iets aan te hebben, heb je drie stappen nodig en één spelregel om niet te ontsporen.
Vergelijk iemand met zichzelf. De norm en de collega ernaast leveren geen bruikbaar ijkpunt. Je zoekt het moment waarop dit gedrag verandert en wat er op dat moment in het werk gebeurde.
Houd je vragen bij de taak en laat de beweging erbuiten. “Hoe makkelijk was dit onderdeel te volgen?” en “Welk deel kostte de meeste inspanning?” Zodra je het friemelen benoemt, gaat het gesprek over manieren.
Toets het resultaat. Laat iemand de kern samenvatten, een keuze onderbouwen of de afspraak toepassen op zijn eigen situatie. Wat iemand kan uitleggen en toepassen, is een veel hardere toets dan bewegende stoelpoten.
De spelregel: doe dit vroeg, wanneer er nog geen contractverlenging of promotie op het spel staat. Ligt er eenmaal een prestatieprobleem, dan kleurt dat al snel iedere volgende observatie. Ik heb het overigens eerst geprobeerd met een schema en per deelnemer opgeschreven wat ik zag. Dat werkte averechts. Ik was mensen aan het scoren en de groep merkte dat. Enkele losse observaties met daarna een controlevraag over de inhoud leverden veel meer op.
Voor Jochem betekende het één ding: wie hem vraagt zijn pen weg te leggen om beter op te letten, kan zijn concentratie ondermijnen. Bij Karlijn gold het omgekeerde: hoe stiller zij werd, hoe dieper de verwerking. Dezelfde training, twee tegengestelde gebruiksaanwijzingen. - Verandert iedereen tegelijk, dan gaat het over jou
Er is één situatie waarin individuele analyse weinig oplevert: wanneer meerdere mensen op hetzelfde moment gaan bewegen of stilvallen. Zoek de eerste verklaring voor zo’n gedeelde omslag niet bij afzonderlijke deelnemers, maar in wat zij net gezamenlijk meemaakten: de duur van het overleg, een stuk uitleg dat te dicht of te lang was, of een gevoelige vraag die zojuist werd gesteld.
Onderzoek van Farley, Risko en Kingstone ondersteunt een deel van die redenering. Zij lieten 21 studenten afzonderlijk een videocollege van veertig minuten bekijken. Naarmate het college vorderde, daalde hun zelfgerapporteerde aandacht en namen vooral grotere bewegingen toe. Over de tweede helft onthielden zij minder dan over de eerste. De studenten bekeken het college afzonderlijk. Het onderzoek zegt daarom niets over een gelijktijdige groepsomslag. Wel laat het zien dat tijd en een gedeelde taak zowel beweging als aandacht kunnen beïnvloeden.
Je herkent dit uit een maandagoverleg dat structureel vijftig minuten duurt of uit een kwartaalupdate vol dichtbedrukte slides. Werk in zulke gevallen in drie stappen.
- Kijk eerst terug. Wat gebeurde er direct voor de omslag? Een nieuwe opdracht, een lang stuk uitleg, een gevoelige vraag.
- Controleer daarna of de groep de inhoud nog volgt. Stel een toepassingsvraag of laat iedereen de kern in één regel opschrijven.
- Pas als laatste één element aan wanneer een groot deel dat niet kan: de instructie, de werkvorm of de duur. Toets daarna opnieuw wat men kan uitleggen.
Bij een groepsomslag ligt de eerste verantwoordelijkheid bij de leidinggevende.
Drie signalen, drie reacties
De informatiewaarde van beweging hangt af van het patroon. Drie signalen vragen om drie verschillende reacties.
- Een losse beweging: wees nieuwsgierig
Eén beweging bij één persoon op één moment levert een vraag op en verder niets. Iemand gaat anders zitten, friemelt of kijkt weg. Merk het op, onthoud het en laat het rusten. Elke conclusie die je hier trekt, is een gok met een gezicht eraan vast. - Een terugkerend patroon: toets je vermoeden
Verandert het gedrag van dezelfde persoon steeds op vergelijkbare momenten, dan heb je een aanwijzing. Toets de combinatie van het bewegingspatroon, de inspanning die iemand zelf ervaart en wat diegene kan uitleggen of toepassen. Herhaalt die samenhang zich, dan ontstaat een bruikbare werkhypothese waarmee je gerichter kunt begeleiden. Het blijft een werkhypothese, geen beoordeling. De gebruiksaanwijzing verschilt per medewerker. - Een gelijktijdige groepsomslag: grijp in
Verandert de hele groep op hetzelfde moment, zoek de gedeelde oorzaak dan eerst in het overleg. Kijk wat eraan voorafging, controleer onmiddellijk wat men nog kan uitleggen en pas één element aan. De afzonderlijke deelnemers zijn op dat moment minder relevant.
Je kunt hier morgen mee beginnen. Let in het eerstvolgende overleg op momenten waarop iemands gebruikelijke gedrag verandert. Stel vervolgens een vraag over de taak en controleer wat diegene heeft begrepen. Sluit elk overleg af met één toepassingsvraag; dat geeft je een resultaat om je waarneming aan te toetsen. Herhaalt dezelfde combinatie zich, dan ontstaat een bruikbaar referentiepunt voor begeleiding. Leg de beweging zelf niet vast als persoonskenmerk of beoordelingscriterium. Schrap tegelijk één categorie feedback: de opmerking dat iemand stiller moet zitten om beter op te letten.
Beweging is geen standaardtaal. Iedere medewerker spreekt een dialect. Als je ze allemaal op dezelfde manier interpreteert, houd je een verzameling keurige misverstanden over. Karlijn viel stil omdat ze nadacht. Jochem bewoog omdat hij nadacht. Ik heb dat verschil op de harde manier moeten leren. Ellens trainee bleef wippen op twee stoelpoten. Ellen lette voortaan beter op wat hij uit het overleg meenam.
Bronnen
- Farley, J., Risko, E. F. & Kingstone, A. (2013). Everyday attention and lecture retention: the effects of time, fidgeting, and mind wandering. Frontiers in Psychology, 4, 619.
- Witchel, H. J., Santos, C. P., Ackah, J. K., Westling, C. E. I. & Chockalingam, N. (2016). Non-Instrumental Movement Inhibition (NIMI) Differentially Suppresses Head and Thigh Movements during Screenic Engagement. Frontiers in Psychology, 7, 157.
- Kataoka, S., Miyaguchi, H., Ishizuki, C., Fukuda, H., Yasunaga, M. & Kirimoto, H. (2026). Fidgeting Increases Pupil Diameter During Auditory Processing in Young Healthy Adults. Brain Sciences, 16(2), 127.
Gerelateerde artikelen
Deel uw ervaringen op ManagementSite
Wij zijn altijd op zoek naar ervaringen uit de praktijk, wat werkt wel, wat niet.
SCHRIJF MEE >>
Als u 3 of meer artikelen per jaar schrijft, ontvangt u een gratis pro-abonnement twv €200,--