Zijn trainers en coaches zich bewust van hun ego?

Er is een vraag die iedere trainer en coach zichzelf volgens mij regelmatig zou moeten stellen. Gaat het hier om mij, of om de deelnemer? (Als manager: gaat het om mij of om het resultaat dat mijn medewerkers neerzetten?) Vrijwel niemand in ons vak zal daarop gemakkelijk het verkeerde antwoord geven.

'Natuurlijk gaat het om de deelnemer. Natuurlijk gaat het om de coachee, de trainee, de manager, de medewerker, de mens die iets wil leren of ontwikkelen.' Geen serieuze trainer zal zeggen: 'Het gaat vooral om mij.' Geen coach zal openlijk beweren dat de ander zich moet voegen naar zijn persoonlijke overtuigingen. En toch gebeurt precies dat vaker dan we misschien willen toegeven.

(Dit geldt overigens ook voor bedrijfsacteurs)

Niet altijd bewust. Niet altijd uit ijdelheid of kwaadaardigheid. Vaak juist vanuit enthousiasme en ervaring. Een trainer ontdekt een model dat hem ooit heeft geholpen. Een coach vindt een methode die veel voor haar heeft betekend. Er is een opleiding gevolgd, een certificaat behaald en een theorie omarmd. En langzaam verschuift het middelpunt van het werk. Niet langer staat de ontwikkelvraag van de deelnemer centraal, maar de methode waarmee de trainer of coach zich heeft vereenzelvigd. Dan wordt het model geen hulpmiddel meer, maar een bestemming.

Een model is in oorsprong een vereenvoudiging van de werkelijkheid. Net zoals in de natuurkunde of wiskunde een model helpt om iets ingewikkelds beter te begrijpen, zo kan een psychologisch of communicatief model helpen om gedrag zichtbaar te maken. Het kan taal geven aan iets wat vaag was. Het kan patronen ordenen. Het kan iemand helpen zichzelf of zijn omgeving beter te begrijpen.

Maar een model is nooit de mens zelf.

Daar gaat het in de praktijk mis. De deelnemer komt met een vraag, een verlangen, een blokkade, een spanning tussen wie hij is en wat zijn omgeving van hem vraagt. De taak van de trainer of coach is dan om mee te zoeken. Waar wil deze persoon naartoe? Wat vraagt zijn omgeving van hem? Waar loopt hij vast? Wat heeft hij al geprobeerd? Wat lukt nog niet? Wat helpt hem om effectiever te worden zonder zichzelf kwijt te raken?

Want dat is volgens mij een kernopdracht van ons vak: mensen helpen zich beter te verhouden tot hun omgeving, zonder dat ze hun authenticiteit verliezen. Dat vraagt iets anders dan iemand door een standaardprogramma duwen. Het vraagt luisteren, kijken, vertragen en onderzoeken.

Het vraagt ook de moed om je eigen voorkeuren even opzij te zetten. Soms is een model behulpzaam. Soms zit het in de weg. Soms opent een vraag iets. Soms sluit dezelfde vraag juist af. Soms is een oefening raak. Soms is zij voor deze deelnemer op dit moment niet relevant. De goede trainer en de goede coach kunnen dat verdragen.

Dat klinkt eenvoudig, maar het is moeilijker dan het lijkt. Ook trainers en coaches hebben een ego. En dat ego kan zich subtiel vermommen als professionaliteit. 'Ik weet wat werkt.' 'Ik heb hier veel ervaring mee.' “Deze methode is goed onderbouwd.” Voor je het weet, staat de trainer niet meer naast de deelnemer, maar erboven.

Dan ontstaat een verraderlijk transactioneel patroon: de coach wordt degene die het weet, en de coachee wordt degene die het nog niet ziet.

Natuurlijk heeft een trainer of coach kennis. Natuurlijk mag je richting geven, confronteren, spiegelen, duiden en ordenen. Een trainer die nergens voor staat, wordt al snel een vriendelijke procesbegeleider zonder ruggengraat. Deskundigheid doet ertoe.

Maar deskundigheid is iets anders dan eigenaarschap over de waarheid.

Zodra de trainer zichzelf gaat beleven als degene die het wezenlijke inzicht al bezit, verandert de relatie. Dan wordt de deelnemer niet langer geholpen in zijn eigen leerproces, maar meegenomen in het wereldbeeld van de begeleider. De vraag is dan niet meer: wat heeft deze persoon nodig om zich te ontwikkelen? De vraag wordt: hoe krijg ik hem zover dat hij mijn model begrijpt, mijn taal spreekt en mijn conclusie trekt?

Daar begint de ego-val.

Die val is gevaarlijk omdat ze vaak vriendelijk klinkt. Trainers en coaches gebruiken prachtige woorden: groei, bewustzijn, eigenaarschap, authenticiteit, systemisch kijken, leiderschap, kwetsbaarheid, zelfinzicht. Maar ook zachte taal kan dwingend worden wanneer er geen ruimte meer is voor de eigen ervaring van de deelnemer. Ook een uitnodiging kan een opdracht worden wanneer de trainer onbewust al weet waar iemand uit moet komen.

Dan wordt ontwikkeling een verkapte vorm van aanpassing aan het denkkader van de begeleider.

Ik heb daarom veel respect gekregen voor trainers en coaches die hun instrumentarium licht kunnen vasthouden. Mensen die een model kunnen aanbieden zonder het op te dringen. Die kunnen zeggen: “Misschien helpt dit”, in plaats van: “Zo zit het.” Die hun eigen ervaring serieus nemen, maar niet universeel verklaren. Die begrijpen dat iets wat voor henzelf bevrijdend was, voor een ander beklemmend kan zijn.

Want dat is misschien wel de grootste verleiding in dit vak: denken dat jouw doorbraak ook de doorbraak van de ander moet zijn. Een trainer die ooit veel had aan structuur, kan overal structuurgebrek gaan zien. Een coach die zelf bevrijd werd door meer gevoel toe te laten, kan iedere rationele coachee zien als iemand die 'niet bij zijn gevoel komt'. Iemand die systemisch werk heeft ontdekt, ziet overal familiesystemen. Iemand die fan is van een bepaald profielmodel, kan ongemerkt gaan zoeken naar bevestiging van dat model. En de deelnemer voelt dat meestal feilloos aan.

Hij voelt of hij wordt gezien, of ingepast. Hij voelt of er werkelijk naar hem wordt geluisterd, of dat er vooral wordt gewacht tot zijn verhaal in een bekende categorie valt. Hij voelt of de coach naast hem loopt, of hem duwt in een richting die vooral voor de coach betekenisvol is. Daarom is professionele bescheidenheid geen aardige karaktertrek, maar een vakvoorwaarde.

Niet de bescheidenheid van “ik weet niets” of “alles is goed”. Dat is te makkelijk. Het gaat om volwassen bescheidenheid: ik weet iets, ik heb ervaring, ik heb instrumenten, maar ik weet nog niet precies wat deze mens nodig heeft. Daarvoor moet ik eerst kijken. Luisteren. Vragen. En soms mijn favoriete methode laten liggen. De beste trainer is niet degene met de meeste modellen, maar degene die weet wanneer hij welk model níet moet gebruiken.

Misschien zouden trainers en coaches zichzelf daarom vaker een paar ongemakkelijke vragen moeten stellen. Gebruik ik dit model omdat het deze deelnemer helpt, of omdat ik mij er veilig bij voel? Stel ik deze vraag omdat zij passend is, of omdat zij in mijn methode hoort? Laat ik de deelnemer werkelijk zoeken, of stuur ik hem naar mijn eigen conclusie? Ben ik nog nieuwsgierig, of ben ik vooral mijn deskundigheid aan het bevestigen?

Een trainer of coach is geen goeroe, geen redder en geen eigenaar van de waarheid. Hij is ook geen neutrale leegte. Hij is een tijdelijke reisgenoot met vakkennis. Iemand die helpt kijken. Iemand die vragen stelt. Iemand die taal geeft. Iemand die soms confronteert, soms ondersteunt, soms structureert en soms stil is omdat de ander zelf iets moet ontdekken. Het vak begint waar het ego een stap opzij doet.

Niet verdwijnt, want dat lukt niemand. Maar een stap opzij doet. Zodat er ruimte ontstaat voor de deelnemer, zijn vraag, zijn context, zijn blokkades, zijn mogelijkheden en zijn eigen manier van leren. Dan wordt de methode weer wat zij hoort te zijn: gereedschap. Geen altaar. Geen identiteit. Geen bewijs van het gelijk van de trainer. Want uiteindelijk gaat het niet om de schoonheid van ons model, de diepte van onze methode of de elegantie van onze interventie.

Het gaat om die ene mens tegenover ons, die probeert een stap te zetten. En als wij ons werk goed doen, loopt hij na afloop niet weg met bewondering voor onze methode, maar met meer helderheid over zijn eigen weg.

www.bertoverbeek.com

Deel uw  ervaringen op ManagementSite

Wij zijn altijd op zoek naar ervaringen uit de praktijk, wat werkt wel, wat niet.

SCHRIJF MEE  >>

Als u 3 of meer artikelen per jaar schrijft, ontvangt u een gratis pro-abonnement twv €200,--