Steve De Shazer, een Amerikaanse therapeut en medegrondlegger van de oplossingsgerichte aanpak, sprak ooit, in de jaren zeventig, een cliënt die voor zijn tweede therapiegesprek kwam. Hij vroeg zijn cliënt wat er al beter ging. De cliënt antwoordde spontaan: “Ik sta al bijna op een 10!” De Shazer was aangenaam verrast door dit antwoord en begon te spelen met het idee om cijfers te gebruiken om cliënten hun situatie te laten beschrijven. Hiermee startte de ontwikkeling van de oplossingsgerichte schaalvraag binnen de oplossingsgerichte therapie (Malinen, 2001). Inmiddels zijn schaalvragen uitgegroeid tot waarschijnlijk de meest bekende en meest gebruikte oplossingsgerichte technieken. Schaalvragen zijn relatief gemakkelijk te gebruiken en zij zijn erg breed toepasbaar.  Talloze therapeuten, coaches en managers gebruiken tegenwoordig schaalvragen in gesprekken en vergaderingen. Zelfs veel mensen die nog niet van oplossingsgericht werken hebben gehoord, kennen de schaalvraag al wel.

1. Basisstappen bij het stellen van de schaalvraag
2. Verschillende soorten schalen
3. Het gebruik van schalen in groepen
4. Enkele tips bij het gebruik van schaalvragen
5. Het gebruik van schalen bij concurrerende doelen

1. Basisstappen bij het stellen van de schaalvraag

Het stellen van de schaalvraag verloopt vaak via een aantal basisstappen. Deze basisstappen bestaan uit een aantal vragen die op een nieuwsgierig onderzoekende en aanmoedigende manier worden gesteld. Hieronder worden deze basisstappen uitgelegd.

Basisstap Voorbeeldformuleringen
Introductie van de schaal: de schaal wordt uitgelegd. “Stel je eens een schaal voor van 0 tot 10 waarbij tien staat voor de gewenste situatie, de situatie die is zoals jij wilt dat het wordt, en 0 staat voor de situatie waarin er nog niets gerealiseerd is van de gewenste situatie.”
Huidige positie: de coach vraagt naar de huidige positie op de schaal. “Waar sta je nu op deze schaal?”
Platform: de coach focust op wat er al is en wat al heeft gewerkt. “Hoe is het je al gelukt om te komen van 0 tot waar je nu staat op de schaal?” “Wat heeft al geholpen?” “Wat werkte vooral goed?” “Hoe lukte je dat?” “Wat heeft nog meer geholpen?”
Eerder succes: de coach vraagt naar een situatie die al beter was. “Wat is de hoogste positie waarop je recent al eens hebt gestaan op deze schaal?” Wat was er toen anders? Wat deed jij toen anders? Wat werkte er toen…