In een eerder artikel op ManagementSite getiteld “De BV Nederland verst(r)ikt zichzelf” ben ik ingegaan op het fenomeen dat de klassieke maakindustrie uit Nederland verdwijnt. Omdat er weinig nieuws voor in de plaats komt spreekt Jagersma over Nederland als een ‘vallei des doods’. Ik heb in mijn artikel kanttekeningen geplaatst bij de sussende bewoordingen vanuit het Ministerie van Economische Zaken enerzijds en de roep van deskundigen om een nationale visie op de BV Nederland (m.n. gericht op innovatie) anderzijds. Ik bepleit het benutten van het interne verbeterpotentieel binnen bedrijven en een aanpak ‘van onderop’.

In dit artikel wil ik via een paar aansprekende voorbeelden mijn denkbeelden rondom dit thema verder uitdiepen. Ik nodig u als lezer uit om in de interactieve ruimte te reageren. Zowel steunbetuigingen als kritische kanttekeningen zijn van harte welkom.

Is Nederland lui?

Wie dagelijks kranten leest en actualiteitenprogramma’s op televisie volgt ontkomt er bijna niet aan. De Nederlandse economie loopt op haar laatste benen! De klaagzang is niet van de lucht. Nederlandse werknemers zijn te duur, te inflexibel, te vaak ziek, werken niet hard genoeg én ze willen te vroeg stoppen met werken. Ons beeld van de top van het bedrijfsleven is al niet veel beter: ze verdienen te veel, zijn niet ondernemend genoeg en ze verkwanselen de vaderlandse juweeltjes van bedrijven voor veel te weinig geld aan het buitenland. Als we de doemdenkers moeten geloven rolt er momenteel een tsunami van producten en diensten vanuit het verre oosten (met name China en India) over ons landje heen, niets anders dan werkloosheid en armoede achterlatend.

Hét antwoord op dit alles zal u inmiddels vertrouwd in de oren klinken: Innovatie!

“Innoveren is gewoon mensenwerk, en daar gaat blijkbaar iets mis. Aan de werknemers kan het niet liggen. Die doen al erg hun best, zo blijkt. Kan het dan door de managers komen? Uit een enquête van Interview-NSS blijkt dat leidinggevenden zichzelf de hemel in prijzen. Ze luisteren naar hun medewerkers, motiveren en stimuleren. Vinden ze zelf. Jammer dat maar een derde van de ondergeschikten het met hun bazen eens is. Die zien hun chefs als autistische wolkenridders. Zo krijgt innovatie nooit een kans. Wat denkt het Innovatieplatform daaraan te doen? Nederland is niet lui. Hoogstens dom.”
Hans Kamps in Het Financiële Dagblad, 8 maart 2005

Als extern adviseur ben ik de afgelopen jaren veelvuldig actief geweest voor bedrijven binnen de Nederlandse maakindustrie en aanverwante bedrijfstakken. Het is algemeen bekend dat het aandeel van de industrie in de totale werkgelegenheid van Nederland al enige decennialang afneemt. Dit geleidelijke proces – deïndustrialisatie – wordt gevoed door de globalisering van de wereldeconomie en de specialisatie van regio’s, landen en continenten op bepaalde typen producten en diensten.

Bedrijven bezondigen zich te veel aan Anorexiastrategie

Wat mij tijdens gesprekken met ondernemers, managers en medewerkers binnen de maakindustrie telkens weer opvalt is de preoccupatie van deze bedrijven met kostenbeheersing en kostenreductie. In de worsteling om concurrerend te blijven voelen deze ondernemingen zich genoodzaakt om steeds dieper te snijden teneinde “lean and mean” door het leven te kunnen gaan. Daarbij worden zij telkens op de vingers getikt door moederbedrijven en consultants die hen informeren dat zij “duurder zijn dan de benchmark” of de laatste “best practices” uit de bedrijfstak nog niet hebben ingevoerd. Het runnen van een onderneming volgens het olijfpers-principe dus. Deze strategie zou ik in navolging van Van Witteloostuijn willen aanduiden als “anorexiastrategie”: door het voortdurend reorganiseren wordt het vet uit de organisatie gesneden maar wordt ook het vlees niet gespaard. Daardoor pleegt de onderneming als het ware roofbouw op de eigen toekomst.

Rightsizing, downsizing, capsizing!

Op z’n zachtst gezegd levert zo’n anorexiastrategie geen goede voedingsbodem om innovatief bezig te zijn. Sterker nog, de gevolgen zijn vaak desastreus. Medewerkers die het niet meer zien zitten en gelaten wachten op de volgende ontslagronde, talentvolle leidinggevenden die op zoek gaan naar ander werk en oplopende werkstress in “intensieve menshouderij”. Langzaam maar zeker zien we (onderdelen van) ondernemingen afglijden naar een bedenkelijk prestatieniveau en uiteindelijk verdwijnen. Het resultaat is een negatieve spiraal waarin het van kwaad toch erger gaat, in plaats van beter.

Voorbeelden van een overmatige nadruk op kostenreductie, zonder oog voor de menselijke maat, vinden we niet alleen in de maakindustrie. Ook in veel andere sectoren gaat er iets fundamenteel fout in de manier waarop wij trachten onze organisaties te verbeteren, zoals het onderstaande voorbeeld laat zien.

Dienstverlener wil zijn eigen problemen outsourcen
Een grote financiële dienstverlener heeft de beschikking over een fors ICT-apparaat met meer dan duizend man personeel. Een benchmarkonderzoek heeft uitgewezen dat de onderneming een veel te hoog kostenniveau heeft ten opzichte van de concurrentie. De Raad van Bestuur heeft daarom besloten dat alle bedrijfsonderdelen fors moeten bezuinigen en wel op korte termijn.

Voor de ICT-organisatie betekent dit een kostenreductie van tientallen procenten. Het management gaat fors aan de slag. Binnen korte tijd volgt veranderproject na veranderproject: clustering van activiteiten in shared service centers, opzeggen van contracten met externen, verhuizingen, ontslagrondes, inkoopoptimalisatie, ‘lean’ maken van werkprocessen, diverse ‘compliancy’ acties in verband met verscherpte regelgeving en introductie van nieuwe technologie om er maar een aantal te noemen.

De verbetertrajecten zijn zonder uitzondering groot in omvang. Ze zijn bovendien van het type “over u maar zonder u”. Daarmee bedoel ik dat er een duidelijke scheiding is aangebracht tussen degenen die de veranderingen bedenken (het hogere management) en degenen die de veranderingen dienen uit te voeren (de direct leidinggevenden en het personeel).

De reorganisaties lijken effect te hebben: de kosten dalen. Maar wat gebeurt er aan de andere zijde van de medaille? De turbulentie binnen de organisatie stelt de veranderbereidheid van het personeel zwaar op de proef. Of dit nog niet genoeg is loopt er parallel aan deze projecten diverse outsourcinginitiatieven. Hierdoor raakt het personeel ernstig gedemotiveerd: “Waarom zouden we nog al die moeite doen om zelf te verbeteren als we straks toch als oud vuil aan straat worden gezet?”.

Het middelmanagement lijkt de omgeslagen stemming bij het personeel niet op te merken en staat zelf onder enorme druk. Het verloop en ziekteverzuim stijgt inmiddels en is op een historisch hoogtepunt gekomen. De weerstand tegen de aanstaande  outsourcing is massief en de sfeer op de afdelingen is buitengewoon cynisch en vijandig tegenover het operationele management.

Ondertussen draait de stoomwals van de verandering onverstoorbaar door…

Kan dit niet anders? Natuurlijk wel! Het is onbegrijpelijk dat we werknemers op alle niveaus in organisaties “inkisten” in een strak regime van kostensanering. Hierdoor verdwijnt alle creativiteit om (ook!) over de opbrengstkant van de winst- en verliesrekening na te denken. Dat is niet alleen doodzonde, dat is verspilling van geld en talent. Kosten besparen zou toch een springplank moeten zijn naar de toekomst: “Reculer pour mieux sauter”, ofwel “Een stap terug om beter te kunnen springen”? Waarom zie ik dan in reorganisatievoorstellen wél veel plannen om tot personeelsreductie te komen, maar bijna nooit óók een plan voor groei en perspectief?

De retoriek van het innovatiedogma

Ik hoor u al denken: maar we willen toch weer de blik naar voren richten en innovatief bezig zijn? Hadden we daar niet het Innovatieplatform voor opgericht, met niemand minder dan onze eigen minister president Jan Peter Balkenende aan het hoofd? Weg met de traditionele sectoren! Lang leve de Food Valley, High Tech Valley, Flower Valley en Nederland distributieland. Games, Bio- en nanotechnologie zijn ‘hot’, de traditionele maakindustrie is ‘not’.

Er is helemaal niets mis met innovatie… en daar zit ‘m nu net het probleem. Innovatie stuit zoals zo veel managementjargon op een muur van begrip. Roep in een zaal dat het bedrijf “via een focus op zijn kerncompetenties met kwalitatief betere en hoogwaardigere producten op de proppen moet komen en het daarnaast moet hebben van superieure marktkennis om zodoende via comakership met de klanten de concurrentie te verslaan” en u heeft goede kans met applaus ontvangen te worden. Maar wat zeggen dit soort holle frasen nu eigenlijk? Gelden ze niet voor elke onderneming? En wat doen bedrijven die deze uitspraken doen nu werkelijk? Vaak veel te weinig! Het probleem is dat innovatie op een te hoog abstractieniveau blijft hangen en niet of nauwelijks wordt vertaald naar de plaats waar het allemaal gebeuren moet: de werkvloer.

Innovatief ondernemen!

Mijn stelling is dat de Nederlandse innovatiediscussie zich ten eerste op een te hoog abstractieniveau afspeelt en ten tweede gaat over minder dan 10% van onze totale economie. Denken we nu werkelijk dat nanotechnologie voor meer dan een handvol ondernemingen is weggelegd? Is de ondernemende universiteit of hogeschool het panacee voor al onze economische wonden? Ik wil de innovatiediscussie hiermee niet afdoen als onzinnig of irrelevant. Natuurlijk hebben we in Nederland kennisintensieve bedrijven nodig die als aanjager voor de economie kunnen dienen.  Waar ik aandacht voor vraag is de initiatieven die we kunnen nemen in de 90% van onze bedrijven die in de meer traditionele sectoren actief zijn. Ook in de ‘oude’ economie is er nog zó veel te winnen, en dat heeft maar voor een deel met technologische innovatie te maken. Eerder met innovatief ondernemerschap. Het innovatieve zit ‘m in dit geval niet in de producten of diensten die een organisatie voortbrengt, maar in de manier waarop medewerkers worden gemotiveerd en aangespoord om actief mee te denken en mee te werken aan het concurrentievermogen van het bedrijf.

Laat ik dit illustreren met enkele uitspraken van Wim van der Leegte, CEO van de VDL-groep. VDL is een succesvolle en gestaag groeiende onderneming in de metaalindustrie (67 bedrijven, 5200 werknemers, omzet ongeveer € 900 miljoen in 2005). Nagenoeg alle productie vindt in Nederland plaats. Het VDL-recept is even effectief als eenvoudig. De werkmaatschappijen zijn relatief autonoom maar werken wel intensief samen. Onderlinge leveringen bedragen ongeveer 122 miljoen euro (2004). De omvang van de holding is zeer beperkt. De werkmaatschappijen kennen een extreem platte structuur met weinig indirecte functies: op elke vijf productiemedewerkers is er maximaal één kantoorbaan. Zo hebben de werkmaatschappijen bijvoorbeeld geen afdeling personeelszaken, maar is de directeur tevens het hoofd P&O. De productie wordt verregaand geautomatiseerd, maar wel zodanig dat verlies van arbeidsplaatsen zo veel mogelijk wordt voorkomen. Door maatregelen zoals het herintroduceren van de koffiejuffrouw en een verbod op vergaderingen binnen werktijd wordt verlies van productie-uren zo veel mogelijk voorkomen.

Uitspraken van Wim van der Leegte in de pers:

“Vijftien jaar geleden stelde Xerox voor om eenderde deel van het werk dat we voor ze maakten naar Oost-Europa te verplaatsten zodat zij konden profiteren van het prijsverschil. Toen antwoordde ik: Doe het zelf maar. Zij: Ja maar dan raak je eenderde van je werk kwijt. Ik: Maar als ik ’t naar Oost-Europa verplaats, raak ik hier ook eenderde van mijn werk kwijt en heb ik er daar een probleem bij. Dat gun ik jullie dan. Dan concentreer ik me op het vervangen van die eenderde werk hier”.

Volgens de filosofie van Van der Leegte kosten robots geen banen maar leveren ze juist meer werk op. “Je creëert er extra werk mee omdat je concurrerender wordt. Bij ons werken lassers en robots sámen. De arbeidsproductiviteit gaat erdoor omhoog en je loonkosten omlaag. Daarmee krijg je weer nieuwe orders en uiteindelijk creëer je dus meer banen dan wanneer je géén robots zou hebben neergezet. Dan begin je met vijf lassers en eindig je met nul omdat je het aflegt tegen je concurrenten die wél automatiseren of werk verplaatsen naar lagelonenlanden”.

“Als we een onderneming overnemen, gaan we met onze directie van acht man dat bedrijf in. We spreken met de mensen en dat moet geen wollig verhaal zijn. We laten in een kantinebijeenkomst alle cijfers van hun bedrijf zien. Meestal reageren ze stomverbaasd omdat ze dat nog nooit hebben meegemaakt. Mensen moeten de werkelijke situatie van het bedrijf kennen, want ze moeten weten waarom ze iets moeten doen. Zo namen we busbouwer Bova over met zeshonderd man. Toen we door de verliesgevende fabriek liepen viel ons op dat er veel gelopen en gepraat werd. De eerste gesprekken met het personeel voerden we met de ondernemingsraad. Je krijgt dan een heerlijke discussie met negen man van de fabrieksvloer. Eén van die mensen vertelde me dat hij elke week twee uur moest sleutelen om zijn lasapparaat aan de praat te krijgen. Dat kwam neer op een kostenpost van 4.000 euro per jaar. We hebben vervolgens twintig nieuwe lasapparaten gekocht. Want investeren in je overgenomen bedrijven, dat hoort er natuurlijk ook bij. Ook dat trekt de werknemers mee. Je moet ook consequent doorduwen. In het begin dachten ze bij Bova, daar heb je het zoveelste verhaal. Maar ze gingen in geen tijd van nul naar 10 miljoen”.

Over verbetermanagement: “Ik ben daar in 1977 mee begonnen, een paar jaar nadat ik het bedrijf van mijn vader had overgenomen. We maakten verlies en dat kon zo niet langer. Ik ben toen op een vrijdagavond met alle voorlieden uit de fabriek om de tafel gaan zitten. En toen heb ik ze precies uitgelegd hoe onze kostprijs tot stand komt. Als er bij jou structureel een verliesorder door de fabriek loopt, moet je ervoor zorgen dat in elke schakel van de keten wordt nagedacht over kostenverlagingen. Dus dat moet je uitleggen. Dan kun je met honderd man veel meer bereiken dan met één directeur die denkt wel eens even in zijn eentje de boel te kunnen gaan redden.”

Van der Leegte laat zien dat je met gezond realisme, visie en ondernemerschap een heel eind kunt komen. De crux van zijn aanpak zit er volgens mij in dat VDL in staat is om werknemers in alle regionen en lagen van de organisatie aan te spreken om tot slimme ideeën en verbeteringen te komen. Strategie van onderop dus. Deze verbeteringen hoeven niet hemelbestormend te zijn, maar het is de optelsom van kleine verbeteringen die het ‘vliegwiel’ van de organisatie in beweging brengt en houdt. Kostenverlaging is dan geen doel op zich, maar een springplank om verder te kunnen groeien. Hierdoor bereikt u kostenverlaging én houdt u uw personeel gemotiveerd.

Een vraag mij bezig houdt is deze: Waarom zijn er zo weinig ondernemingen die net zoals VDL in staat zijn om resultaatverbetering te koppelen aan positieve drive en ambitie in alle regionen van het bedrijf?  Waarom moeten we altijd spreken over veranderingen in termen van “weerstanden overwinnen”? Die weerstand organiseren we zelf!

Conclusie

In Nederlandse bedrijven blijven veel kansen voor verbetering onbenut. Dat is jammer, want de toegenomen concurrentiedruk vraagt nu eenmaal om een extra inspanning. Product- en procesinnovatie is een deel van het antwoord, maar de huidige insteek van het Innovatieplatform is maar voor weinigen weggelegd. We hoeven echter niet te vervallen in doemdenken en een anorexiastrategie, want ook in traditonele sectoren is er nog veel intern verbeterpotentieel!

Het voorbeeld van VDL laat zien dat ondernemerschap en het activeren van motivatie en creativiteit van medewerkers in alle lagen van de onderneming tot opmerkelijke resultaten kan leiden. Dat is allerminst ‘soft’, maar gewoon goed ondernemerschap dat zich uitbetaald in klinkende munt. Zodoende verwordt kostenreductie niet tot koel spreadsheetmanagement en kan het instrument ingezet worden waarvoor het bedoeld is: om de organisatie te laten groeien.

Edwin Lambregts werkt als managing consultant bij Berenschot en is initiatiefnemer van InnovatiefOrganiseren.nl

Andere bijdragen over dit onderwerp:
- Pieter Klaas Jagersma,
- Jaap Peters, De intensieve menshouderij, deel 1, 2 en 3,
- Edwin Lambregts, BV Nederland verst(r)ikt zichzelf,
- Jaap Peters en Michaël Geerdink, Ego of Eco”

Ook over dit thema in ManagementSite:

Een effectieve en inspirerende verbeteraanpak?
‘Verbeterteams in de praktijk. Een handleiding’
GertJan Schuiling
Continue verbetering en resultaatverantwoordelijke teams! Geen organisatie kan de ontwikkelingen op dit terrein negeren. Met vallen en opstaan wordt onze kennis om dit te realiseren trefzekerder.