“Wellicht is goed volgerschap zelfs nog belangrijker voor het slagen van organisaties dan goed leiderschap”. Deze intrigerende gedachte wordt door de auteurs Bart Drenth, Ber Damen en Aart Goedhart op de omslag van het boek “De kunst van het volgen” ingenomen. Deze gedachte, de pakkende titel én de in het oog springende illustratie op de voorzijde, zijn redenen om de 150 bladzijden van dit boek eens nader onder de loep te nemen. De auteurs staan in een traditie van Berenschot-auteurs van boeken over leiderschap, leidinggeven en arbeidsverhoudingen. De gekozen insteek van dit boek is echter nieuw: welk gedrag, welke houding maakt een medewerker (in de terminologie van de auteurs: volger) effectief, met name daar waar het gaat om de interactie met de leidinggevende?

Leiderschapen volgerschap

Na een kort inleidend hoofdstuk, wordt in het tweede hoofdstuk zeer uitgebreid verslag gedaan van de historische ontwikkeling van leiderschap: van de zogenaamde Trekbenadering, waarin leiderschap als een aangeboren vaardigheid wordt beschouwd, tot de nieuwe strengheid van Judith Mair, die kiest voor de Duitse variant van law and order. Vervolgens gaan de auteurs kort in op theorieën over volgerschap. De interessantste daarvan is wat mij betreft de theorie van Chaleff, die vijf dimensies van moedig volgerschap uitwerkt. Het gaat hierbij om de moed om:

  • verantwoordelijkheid te nemen
  • te dienen
  • uit te dagen
  • te participeren in veranderingen
  • een afwijkend moreel standpunt in te nemen en daarnaar te handelen.

Het is aardig om bovenstaand rijtje te spiegelen aan het model dat de auteurs hebben ontwikkeld en dat in het vijfde hoofdstuk wordt uitgewerkt. De tussenliggende twee hoofdstukken overtuigen niet geheel. Eerst volgen in het derde hoofdstuk een veertiental anekdotische beschrijvingen van volgersgedrag, waarvan de relevantie niet in alle gevallen even duidelijk is. Zo wordt een korte anekdote beschreven over een medewerker die vindt dat zijn leidinggevende geen gevoel voor humor heeft. Het is pakkend beschreven, maar de koppeling naar het falen van leiderschap wordt hiermee niet gemaakt. In het vierde hoofdstuk wordt de vergelijking gezocht met vooral de dierenwereld: van de alfameerkat tot de larf van Midas Dekkers. Bij vlagen is dat amusant, de auteurs kunnen echter niet aannemelijk maken (en doen daartoe ook geen…