De gezondheidszorg is al decennia een zorgenkindje. Vooral door de kostenstijging die de overheid al decennia probeert te beteugelen. De inzet vanuit Den Haag is een stelselwijziging geweest met als kern de introductie van marktwerking. Dit middel is echter volgens velen erger dan de kwaal omdat de uitgangspunten van zorg ondergeschikt zijn geworden aan institutionele belangen. Bieden de maatregelen uit de brief ‘Ruimte en rekenschap voor zorg en ondersteuning’ van Klink en Bussemaker soelaas?

Verzekeraars en zorgaanbieders beantwoordden de stelselwijziging massaal met het vormen van institutionele oligopolies. Op zoek naar betere samenhang in zorgketens, marktmacht en schaalvoordelen. Niet ondernemerschap en vernieuwing, maar beheersing en protocollering werd het overwegende beeld. Er ontstonden grote zorgorganisaties met meer managementlagen en stafdiensten, die de beroepseer van professionals verder uitholden.
De marktwerking leidde ook tot morele excessen. Moderne bestuurders bouwden megalomane zorgconcerns, toucheerden bijbehorende salarissen en rekenden platina handdrukken af als hun plannen uit de hand liepen.

Terecht stellen de minister en de staatssecretaris dan ook vast garanties nodig zijn dat de geboden ruimte dienstbaar is aan de publieke belangen. De oplossingen die zij bieden zijn echter te eenzijdig gericht op het versterken van toezicht en raken onvoldoende de ware obstakels in het veld en binnen de zorginstellingen zelf.

Zorgorganisaties zijn uit balans geraakt. Om dat te herstellen is iets anders nodig dan meer toezicht en controle. Er is een omslag in denken nodig waar het gaat om de inrichting van de zorgorganisaties zelf. Besturen moeten niet opnieuw beleid implementeren, maar zich juist weer richten op hun bijdrage aan de oplossing van de problemen in de zorgverlening. Er is inderdaad een andere verhouding tussen zorgverleners en management nodig. Maar bestuurders verantwoordelijkheden geven die ze niet kunnen waarmaken is het paard achter de wagen spannen. Professionals dienen juist meer verantwoordelijkheid te krijgen en moeten daar ook voor worden toegerust en op worden aangesproken. Management moet niet vooral beheersen en controleren, maar bijdragen aan betere zorg. Toezichthouders moeten met kennis van zaken waken over de maatschappelijke toegevoegde waarde en over de morele uitgangspunten van de bestuurders. Alleen zo kunnen institutionele belangen weer ondergeschikt gemaakt worden aan oplossingen die wat betekenen voor de zorg en de patiënten.

Het beleid bereikt steeds niet de zorg zelf, maar de instituties die door de marktwerking tot versterking van de eigen positie worden aangemoedigd. Deze tekortkoming van het beleid is ook precies de reden waarom het voor de overheid zo moeilijk blijkt te zijn om de gezondheidszorg te beheersen en te sturen. Dit geldt helaas ook weer voor de huidige aanpassingen van Klink en Bussemaker naar aanleiding van de terecht geconstateerde uitwassen van het nieuwe stelsel.

De overheid zal zich beter moeten bezinnen op de effectiviteit van haar beleidsinstrumentarium. Ook in de zorg wordt geoogst wat men zaait. Met de bedoeling van marktwerking is een spel om de middelen teweeg gebracht, waarvan moeilijk beweerd kan worden dat die de zorg ten goede komt. Klink en Bussemaker willen terecht een betere verantwoordelijkheidsverdeling, maar hun maatregelen verhogen vooral de regeldruk. Met toegenomen toezicht en controle wordt het evenwicht binnen zorgorganisaties niet hersteld, maar juist verstoord.

Ad Standaart, Jan Bultsma, Hein Griffioen
De schrijvers zijn adviseurs in de gezondheidszorg bij Bureau Obelon Rotterdam

Deze column werd ingezonden door Ad Standaart. Heeft u ook iets wat u bezig houdt? Plaats uw eigen column ›