Inleiding

De integriteit van het Openbaar Bestuur blijft op de agenda staan. Op de opiniepagina van het NRC Handelsblad van 4 juli jl. betoogden de hoogleraren Van den Heuvel en Huberts dat dit thema niet zou misstaan in de portefeuille van beoogd premier Balkenende. Zij deden de suggestie om de nieuwe regeerploeg bij haar aantreden aan een integriteitsscan te onderwerpen. Ook stelden de hoogleraren voor om de ministers bij de jaarlijks afrekening, op de derde woensdag in mei, verantwoording te laten afleggen over hun declaratiegedrag. Voorts zou het nieuwe Kabinet een eigen gedragscode moeten opstellen om het goede voorbeeld te geven aan de volkvertegenwoordigers in parlement, provinciale staten, en gemeenteraden. Voor de bestuursniveaus, Colleges van Gedeputeerde Staten en van Burgemeester en Wethouders, zou een strakker toezicht moeten komen op mogelijke belangenverstrengeling, nepotisme en machtsmisbruik. Ook zelfstandige bestuursorganen moeten aan een strenger integriteitsregime worden onderworpen.

De suggesties van Van den Heuvel en Huberts zijn buitengewoon interessant. Ze houden echter een beperking in, in die zin dat ze zich richten op de persoonlijke integriteit van de politieke en ambtelijke top. Dat is overigens wel verklaarbaar, want bij de grote en kleine affaires van de laatste tijd (Peper, Jorritsma, Gemeente Leeuwarden, Provincie Gelderland, bouwfraude) kwam juist de vraag naar de integriteit van de top zelf en het kunnen vertrouwen van bestuurders aan de orde. Tegelijkertijd moeten we ons realiseren dat de top ook maar 'het topje van de ijsberg' is. In het Openbaar Bestuur gaat het om de integriteit van alle ambtenaren die daarin werkzaam zijn. We zijn dus niet klaar als de top persoonlijk verantwoording heeft afgelegd. Zeker zo relevant is de kwestie of de leiding van een overheidorganisatie in de praktijk in staat is om integriteit van de organisatie te managen.

Het managen van integriteit is het onderwerp van deze serie waarbij is gekozen…