Aan mooie theorieën over verandermanagement geen tekort. Er is een hoop kennis beschikbaar. En toch lopen veranderingsprocessen in de praktijk veel te vaak niet volgens wens. Doortimmerde aanpakken blijken ongewenste effecten te sorteren, goedbedoelde initiatieven worden wreed verstoord door onverwachte krachten. Zo ook in onderstaande praktijkcasus. Hoe zou u omgaan met het moeizaam lopende veranderingsproces uit de casus? Wat gaat er mis? En hoe kan de situatie alsnog gered worden? Reageer op onderstaande casus en deel uw visie op verandermanagement met anderen. Arend Ardon zal regelmatig reflecteren op de ingezonden reacties.

Inleiding

Binnen een opleidingsinstelling, bestaande uit zes instituten, is in het managementteam gezamenlijk vastgesteld dat onvoldoende wordt aangesloten op de steeds persoonlijker wordende leerbehoefte vanuit de studenten. De oorzaken lijken nogal diffuus van aard te zijn. Soms hoor je geluiden dat docenten en middenmanagement onvoldoende zijn toegerust om markt- en klantgericht te opereren, anderen weten dat het beleid vanuit de top te omvangrijk is, weer anderen wijten het aan de ‘ambtelijke houding’ van het personeel en er gaan ook stemmen op die de organisatievorm de schuld geven. Wie heeft er gelijk? Na overleg met het College van Bestuur is besloten een adviesbureau in de arm te nemen om een heldere diagnose te maken en de beleving in de organisatie te toetsen.

Van kwaad tot erger

De adviseurs maken een brede interviewronde binnen de organisatie om een goede diagnose te kunnen stellen. Met een vragenlijst trekken zij ten strijde. In de interviews komt een veelheid aan perspectieven op tafel. Eén ding staat evenwel vast: van het beleid en de ondersteuning van de top (het management team en vooral het College van Bestuur) deugt niet veel. Het is overduidelijk dat veel opleidingsmanagers (het middenkader) uitermate ontevreden is. En zij zien deze gesprekken als de uitgelezen kans om eens klip en klaar op tafel te leggen wat hen niet bevalt: “Het verbaast ons dat het CvB het onderzoek op deze manier aanpakt, maar misschien hebben ze hun lesje wel geleerd. Goed dat er eindelijk eens iets aan gebeurt. U moet hen overigens ook maar eens vertellen dat … ”

Het is vooral klagen. De adviseurs maken braaf notities om een helder en volledig verhaal terug te kunnen koppelen. Na een aantal interviews voelen zij nattigheid. Gaat dit wel de goede kant op? Zij hebben inmiddels een forse ‘verlanglijst’ vanuit het personeel naar de ‘top’: helder beleid, minder beleid, betere ondersteuning, meer faciliteiten voor docenten. “Als aan dergelijke randvoorwaarden niet wordt voldaan, is het voor ons niet mogelijk om de studenten nog beter te bedienen. We werken ons al een slag in de rondte …”. Het is maar zeer de vraag of dat allemaal kan worden waargemaakt. Om betrokkenen uit hun ‘klaagzang’ te trekken, wijzen de adviseurs ook op hun eigen verantwoordelijkheid. Hiermee stuiten zij evenwel onmiddellijk op tegenstand.

De adviseurs maken hun rapportage op, maar stellen zich de vraag of hun optreden de organisatie verder kan helpen. Mogelijk werkt het eerder averechts: veel ondervraagden wachten immers gelaten af wat ‘ze’ met hun opmerkingen gaan doen. En als ‘ze’ er onvoldoende mee gaan doen, is dat een bevestiging van wat zij natuurlijk al lang wisten.

De vraag

De adviseurs zitten fors met de situatie in hun maag. Is hun aanpak onjuist? Hoe hadden ze het eventueel anders aan kunnen pakken? En wat zijn de volgende stappen met het oog op een gedragen, maar ook haalbare oplossingsrichting?