Als Philip door zijn moeder naar school wordt gebracht, gaat ze altijd even met hem mee het klaslokaal in. Net zoals de moeder van Tim, Godfried en Elise. Ze blijven tot 9.10 uur met ‘de juf’ en elkaar praten, zittend op de punt van het tafeltje van de kinderen. Intussen drentelen de kinderen tussen de stoeltjes (die al klaar staan voor het kringgesprek). Ze gooien etuis naar elkaar waarbij de inhoud verspreid in het klaslokaal terecht komt.  Een jongetje valt over een in de weg liggende schooltas. Het incidentje ontaardt in een ruzie en er volgen vechtpartijtjes onder de jongetjes.

Basisonderwijs: elimineer verspillingen

Maar liefst 63% van de onderwijzers ervaart een hoge werkdruk, en 41% van de leraren PO vindt de werkdruk niet acceptabel (DUO onderwijsonderzoek, maart 2012). Een vaak gehoorde oplossing: er moet geld bij om meer leerkrachten te kunnen inzetten. Dat is een keuze zonder pijn. Is er een alternatief? Kunnen leerkrachten de beschikbare lestijd door gedragsverandering ook productiever benutten? Productiever betekent: verspillingen van tijd en energie reduceren of elimineren en daardoor kinderen verder brengen in dezelfde tijd. In dit artikel laten we zien dat door wachttijden, opstarttijden en overproductie de feitelijk bereikbare onderwijsprestatie niet wordt gehaald. Het zijn drie hinderlijke verspillers in het basisonderwijs die wonderwel in de comfortzone van de onderwijsgevenden passen.

Als een leerling ruim voorligt op de ‘normale lijn’ wordt een leerling op de Julianaschool (1) ingedeeld in een aparte groep voor ‘hoogbegaafde kinderen’, het zogenoemde ‘plusgroepje’. Plusgroepjes zijn tijdverspilling. De pluskinderen gaan immers niet eerder of met meer intellectuele bagage het voortgezet onderwijs in. Zij presteren daar ook beslist niet beter. Wat gebeurt er? De pluskinderen krijgen twee uur per twee weken ‘extra stof’ om zich niet te vervelen. Ze worden in de tijd die ze ‘over hebben’ beziggehouden. Daar wordt zelfs een zekere status aan toegekend. Ten onrechte. Bijkomend probleem is dat leerkrachten niet inzien dat deze situatie ongewenst is. Integendeel; ze vinden plusgroepjes heel normaal.

Basisscholen: Werkdruk omlaag, prestaties omhoog

In het bedrijfsleven krijgen verspillingen veel aandacht. Het is de kortste klap naar meer productiviteit. Men probeert elke vorm van tijdsverspilling te elimineren en anders wel te reduceren. Dat geldt zeker ook voor wachttijden, opstarttijden en overproductie. Maar er zijn meer soorten verspilling. Toyota bijvoorbeeld heeft er een heel systeem voor ontwikkeld. Ook onnodige verplaatsing van materiaal, voorraden, onrustige bewegingen/afleiding en het produceren van fouten worden als verspilling benoemd. Waarom ook niet? Daarmee wordt immers geen waarde toegevoegd. Soms zelfs wordt waarde vernietigd. In beginsel kunnen we alles wat geen waarde toevoegt beter achterwege laten. En in dezelfde tijd iets doen waar je wel degelijk iets aan hebt. Bovendien levert je dat tijd op. Dat geldt ook voor het onderwijs. Met het elimineren van verspillingen kan ook daar de werkdruk worden verlaagd. Werk aan de winkel voor onderwijsmanagers dus…maar die hebben het daar te druk voor.

Verspiller 1  Wachttijden

‘we zijn nu al door de methode!’

Op basisscholen wordt al weken voor de zomervakantie het lesstofaanbod fors teruggebracht of zelfs stopgezet.  Twee weken voor de vakantie gaan de schriftjes mee naar huis, en dan? Kastjes opruimen, You Tube filmpjes kijken (‘computeren’), posters maken over het schoolreisje, buiten spelen, spelletjes doen. Is dit ‘slecht’?  Nee, maar onderwijskundig gezien is dit bezigheidstherapie. Het volmaken van de voorgeschreven roostertijden zonder enige didactische doelstelling of richting is een voorbeeld van ‘wachttijd in het onderwijs’.

Al veel eerder, na het meirapport, gaat ‘de rem er op’. Dan volgt een reeks van gebroken weken met daartussen enige schooltijd. Die tijd wordt vooral gevuld met feestelijkheden (waaronder het schoolreisje) en toetsen (CITO en de methode gebonden toetsen). Dit alles met de plausibel ogende verklaring dat de toetsresultaten nodig zijn om het eindrapport te kunnen opstellen. Kort hieraan vooraf krijgt de klas de heugelijke mededeling dat ‘we nu al door de methode heen zijn’. Dat is codetaal voor: we stoppen met lesgeven voor de rest van dat schooljaar. Waarom eigenlijk? Veel kinderen hebben de lesstof dan nog helemaal niet onder de knie.

Dat er in het basisonderwijs ieder jaar vele weken achtereen ‘pas op de plaats’ wordt gemaakt is normaal geworden. Het niet-lesgeven wordt niet als onrendabele ‘wachttijd’ ervaren. In plaats van leerlingen bij te spijkeren of vooruit te helpen zijn leerkrachten bezig om iedere leerling te toetsen. Dit resulteert dan in een nauwkeurige specificatie van de achterstand ten opzichte van de normale lijn. Als alles mooi in kaart is gebracht wordt de leerling overgedragen aan de leerkracht van de volgende groep. Let wel: op een láger dan haalbaar niveau en inclusief de achterstanden die later weer ingehaald moeten worden.

Onderwijsgevenden blijken meesters in het creëren van wachttijd te zijn. Neem de studiedagen. Als de leerkrachten aan hun ontwikkeling werken ligt het primaire proces stil. Leerkrachten gaan een paar keer per jaar met elkaar in conclaaf.  Prima maar waarom gebruiken ze daarvoor de lestijd van kinderen én de werktijd van ouders? Waarom niet dergelijke cursussen op reguliere schooldagen nadat de les is afgelopen? De maatschappelijke kosten zijn aanzienlijk (aantal scholen x aantal leerlingen met werkende ouders x aantal extra vrije dagen x gemiddeld dagtarief). De rekening van de ‘studiedagen’ wordt zonder aarzeling buiten het onderwijs gelegd. Dat is ‘normaal’.

Lange vakanties worden in het basisonderwijs ook heel ‘normaal’ gevonden. Het is echter vooral: wachttijd. Het argument is dat de kinderen ‘hun batterij’ moeten opladen. Klinkt mooi. Maar de oorsprong van deze lange vakanties is een andere. Het stamt uit de tijd, dat Nederland een nog overwegend agrarisch land was. Kinderen waren hard nodig om te helpen op het land. Hoezo, batterij opladen?

Verspiller 2  Opstarttijden

‘terugval is normaal’

Vakanties zijn leuk, maar aan het leerproces dragen ze bepaald niet bij. Vanaf mei, doorgaand in juni, juli, augustus, en zelfs in september staat het lesgeven in ons land op een laag pitje. Een karakteristiek van het basisonderwijs is de permanente cyclus van afbouw, vakanties en opbouw. Als de kinderen weer van een vakantie terugkomen zijn de prestaties (lezen, rekenen en taal) merkbaar achteruit gegaan. ‘Leerlingen hebben altijd wel een terugval hoor, zo na de vakantie’. Vandaar dat leerkrachten voorzichtig opstarten. Hier ligt een parallel met de industrie. Als een nieuwe productieserie wordt opgestart, neemt men genoegen met een lagere productie. Anders dan de industrie, moet het onderwijs echter niet alleen op gang komen, maar moet men eerder verricht werk nog een keer overdoen. In het onderwijs betekent opstarten dus ‘inhalen na terugval’.  Dat de kinderen na de vakantie minder weten dan ervoor zijn we ‘normaal’ gaan vinden. Want vakanties en lesonderbrekingen zijn niet alleen lang, ze komen ook frequent voor. Dat jaagt de verspilling van onderwijstijd verder aan.

De kalender 2012-2013 van de Julianaschool telt –buiten de weekenden- maar liefst 66 vakantiedagen. Verder zijn er 3 studiedagen en 6 aanvullende feestelijke dagen (Pasen, Kerst, Sinterklaas, sportdag, schoolreis en carnaval). Welgeteld zijn er 75 dagen waarop er geen les wordt gegeven. Ter vergelijking: Achmea kent in de cao voor medewerkers tot en met 34 jaar 25 vakantiedagen, ABN AMRO 20 dagen. Werkweken bij deze werkgevers tellen zo’n 38-40 uur. De schooltijden zijn op de Julianaschool tussen 08.45 en 15.00 uur met ruim een uur pauze. Woensdag is het korter tussen 08.45 en 12.30 uur. Hiermee komt de totaal beschikbare lestijd op (4x 5.15 + 1x 3.45 =) 24 uur per (volledige) lesweek.

Je kunt gemakkelijk meer verspillingen als gevolg van opstarten signaleren. Een voorbeeld. De juf stelt voor, gebaseerd op haar observaties, dat Robin beter nog maar ‘een jaartje kan kleuteren; het jochie is nog zo speels’.  Het klinkt sympathiek met die verkleinwoorden. Ach, het is maar ‘een jaartje’. Maar door zo ‘op te starten’ komt Robin met een jaar vertraging op de arbeidsmarkt. Dat betekent dat Robin in zijn leven een jaar minder zijn hoogste salaris zal genieten. De economische implicaties van het voorstel van de juf zijn zomaar op enkele tienduizenden  euro’s te waarderen. Van ons hoeft de juf dit soort sommen niet te maken. Maar de vraag mag wel gesteld worden of leerkrachten niet erg makkelijk met de kostbare tijd van leerlingen omgaan. Waarom stapt de juf niet uit haar comfortzone om fors meer tijd en aandacht aan Robin te besteden zodat hij dit jaar wel overgaat?

Verspiller 3    Overproductie

‘Als het maar léuk is…’

Overproductie, is daar sprake van in het basisonderwijs? Nee, niet in de zin dat kinderen méér leren dan is voorgeschreven. In het onderwijsproces worden echter ook tal van zaken geproduceerd die maar weinig waarde toevoegen. Niettemin kan deze vorm van overproductie veel tijd en energie van leerlingen of leerkrachten vragen. Als de balans tussen inspanningen en opbrengsten zoek is, is er sprake van verspilling.

Een voorbeeld van overproductie in groep 6 en 7 van de Julianaschool. De kinderen krijgen opdracht een werkstuk te maken. Zij moeten de hoofdstukken eerst in een schrift opschrijven én dat moet van de juf in één keer goed. Daarna moeten zij de hoofdstukken overtypen (!?) op de pc. Geen enkel kind blijkt hiertoe in staat (trouwens, wie wel?). Waarom geen ‘concept versie’ en met een voorlopige hoofdstukopbouw op de pc, deze fasegewijs vullen, herordenen en ‘strak maken’ in lijn met de vraagstelling? Het leidt ertoe dat in de kerstvakantie (na 4 maanden zelfwerkzaamheid) de nog niet half volgeschreven schriftjes mee naar huis gaan. ‘Ja, nu moet het echt af’ zegt de juf. Vader en moeder kijken tijdens de Kerst even mee. De hoofdstukindeling wordt aangepast. Er ontstaat een nieuw werkstuk dat keurig op de pc is uitgewerkt. De juf vindt dit normaal (‘ik doe dit al jaren zo’). In januari krijgt ieder kind van haar een fijne ‘plus’.

Wat voegt de overproductie die deze oefening genereert nu toe?

Op de Julianaschool moeten kinderen ook opstellen maken. Hierbij werkt de school eveneens volgens het principe: in één keer goed. Brainstormen, herordenen, mooie opbouw omgooien om het spannender te maken…. Niet nodig, daar wordt niet op gelet. Ook wordt er niet gelet op spelling. ‘Nee, daarvoor is er aparte spellingles’.

Waarom is in deze oefeningen spellen, ontwerpen en stellen niet geïntegreerd? Stellen in deze geïsoleerde vorm is overproductie. Het vraagt energie, het neemt lestijd in beslag maar het voegt weinig of niets toe.

Nu een rekenvoorbeeld. Zelf heeft u vermoedelijk nog staartdelen op de basisschool geleerd. Deze methode heeft inmiddels een update gekregen.

Delen op de basisschool wordt aangeleerd in 9 stappen. We nemen u mee met een concreet voorbeeld: 37723 ÷ 7 Hierbij noemen we 37723 het deeltal en 7 de deler.



  1. Schrijf de deling op. Trek daaronder een streep, met haaks daarop aan de rechterzijde een andere (verticale) streep
  2. Schrijf daaronder het getal op wat gedeeld moet worden. Dus het deeltal (37723)
  3. Zoek het grootste getal dat keer de deler (7) nog (net) kleiner (of gelijk aan) is dan de eerste twee cijfers van het deeltal (37xxx). Schrijf dat rechts van de verticale lijn
  4. Vul dat getal aan met dezelfde hoeveelheid nullen als er cijfers achter de eerste twee cijfers van het deeltal (37xxx) staan (3 dus)
  5. Vermenigvuldig het gevonden getal met de deler (7) en schrijf dit onder het deeltal (37723)
  6. Trek beide getallen van elkaar af
  7. Herhaal Stap 3 t/m Stap 6 met het gevonden verschil totdat het verschil kleiner is dan de deler (7)
  8. Tel alle getallen aan de rechterkant van de verticale streep bij elkaar op
  9. Ziedaar: de gevonden som is de uitkomst van de deling
Stap 3, 5 (in iets aangepaste vorm) en 6 worden ook bij het  staartdelen gebruikt.
Maar met name stap 4 en 8 (en dus ook 9) komen bij staartdelen niet voor. Waarom deze omslachtige methode? Het argument: Het geeft de kinderen inzicht in het delen. Huh??? Vraag het aan een willekeurige volwassene en die geeft dezelfde reactie. Vraag het ook eens aan de meester/juf. Die komt er niet uit. Hét probleem bij de methode is dat de kinderen niets snappen van stap 4: het aanvullen met nullen. Een tweede probleem is dat foutenkans is toegenomen. Je moet niet alleen aftrekken, maar je moet ook nog optellen. Daarbij moet je er voor zorgen dat alle getallen aan de rechterkant netjes onder elkaar staan, wat nogal eens mis gaat als er geen ruitjespapier wordt gebruikt.
(Bron: www.wiskunst.nl ‘Waarom staartdelen wél goed is’).

In dit bovengenoemde voorbeeld wreekt zich dat leerkrachten -vermoedelijk onbedoeld en ongewild- ‘lesboeren’ zijn geworden die niet meer zelf onderwijssituaties ontwerpen en inrichten. De professionaliteit is weg.

Het basisonderwijs zit vol overproductie. Kijk eens naar de energie en tijd die de jaarlijkse spreekbeurten vanaf groep 4 consumeren. Ieder jaar weer zijn ‘mijn cavia’, ‘mijn pony’, ‘hockey’, ‘tennis’ en ‘Zwitserland’ (maal 35!), een grote bron van  inspiratie.  Zo kunnen we nog wel even doorgaan.  Er zijn veel projecten die iets opleveren dat niets -maar dan ook niets- met de voorgeschreven lesstof te maken heeft. Elke ouder kan ze zo noemen: sponsorlopen voor diverse door het jaar heen elkaar afwisselende goede doelen, de beestenbende, lessen van het WNF, project ‘het pandabos’, de klas schoonmaken. Wat te denken van het inkleuren van een zeer groot aantal papieren vlaggetjes. Dit om bij te dragen aan de langste vlaggetjesslinger ter wereld en zo in het Guinness Book of Records te komen. Een ambitieuze doelstelling, maar waarom moet dat onder leiding van de vakleerkracht tekenen!? Niemand vraagt zich kennelijk af waarom dit allemaal plaats moet vinden binnen de reguliere lestijd.  Leerkrachten hebben het er maar druk mee en kinderen worden gek gemaakt met al die verschillende uitdagingen.  ‘Als het maar leuk is…’

De schoolleider is aan zet

‘Niet teveel aandacht aan klachten geven, dan gaan ze over’

De zaken die hier genoemd zijn hebben Henk (al 26 jaar schoolhoofd van de Julianaschool) regelmatig boze ouders opgeleverd. Henk vindt dit “Allemaal incidentjes. Je moet niet teveel aandacht aan klachten van ouders besteden, dan gaan ze vanzelf over”. Waarom reageert Henk eigenlijk zo? Waarschijnlijk heeft hij een stressvolle job. Noors onderzoek signaleert dat basisschoolleiders het te druk hebben om meer dan 1/3 van hun tijd aan pedagogisch leiderschap te besteden (ESHA Magazine, januari 2011). Door bureaucratie en administratie komen ze er niet aan toe. Mogelijk versterkt werkdruk van schoolleiders het laissez faire leiderschap. Laissez faire leiders doen het goed bij de leerkrachten, maar het onderwijs wordt er niet beter van. Werkdruk wordt afgewenteld door het uitbouwen van de  comfortzone, de leerprestaties blijven hierdoor achter en juist daardoor neemt de werkdruk van de opvolgende collega’s weer toe. Daarom eindigen wij met enkele suggesties voor Henk om deze werkdrukspiraal te doorbreken.

  1. Zorg dat de lessen altijd op tijd beginnen.
  2. Plan niet-direct-aan-het-leerproces gebonden activiteiten altijd buiten de lestijd ook als dit op weerstand in je team stuit.
  3. Houd ook alle deeltijdaanstellingen tegen het licht. Is het wel verstandig om deeltijdjuffen te hebben die met z’n drieën of meer een klas delen?
  4. Kijk naar de relevantie van het inzetten van opvangjuffen voor het ‘compensatieverlof’ en vakleerkrachten.
  5. Verwacht van je team aanwezigheid ook buiten de lestijden.
  6. Beoordeel elk niet-direct onderwijsgebonden project. Welk project kan geschrapt worden zonder een nadelig effect op de ontwikkeling van het kind? Let wel: ook ouders zijn en weten zich verantwoordelijk voor onderwijs en opvoeding. Daar ligt ook een taak; niet alles hoeft binnen de school.
  7. Maak leerkrachten verantwoordelijk voor de prestaties én de daarvoor noodzakelijke inzet van methode en didactiek. Laat het team de eventuele aanschaf van nieuwe methoden ‘van buiten’ beoordelen.
  8. Evalueer met het team de gemaakte keuzen van het lesmateriaal. Beoordeel deze keuzes scherp in relatie tot het leerproces van kinderen. Niet alle thema’s verdienen een apart lespakket.
  9. Beoordeel het feitelijk gebruik van het lesmateriaal. Wees alert op duur vorm gegeven werkboekjes en schriften -die niet eens voor een kwart worden doorgewerkt- en die de essentie van het onderwijs niet raken. Kopietjes volstaan op onderdelen ook.
  10. Geef als schoolleider het voorbeeld: verkwist zelf geen tijd en geld, houd je aan afspraken en blijf verspillingen signaleren.

Voor schoolproductiviteit is de schoolleider primair verantwoordelijk. Het bestuur heeft echter ook een rol. Een schoolbestuur moet de schoolleider regelmatig kritisch op de schoolproductiviteit bevragen én beoordelen. Er zijn nog maar weinig besturen die dit durven en doen. Wanneer ‘normaal’ gedrag niet langer normaal mag worden gevonden moet het bestuur in actie komen.


(1) ‘De Julianaschool’ is een fictieve naam die hier model staat voor de ‘gemiddelde’ basisschool in Nederland.