Zo kopt De Volkskrant bij het interview dat ik gaf naar aanleiding van mijn in deze week verschenen essay: Hoe verder? Opkomst en ondergang van het poldermodel. Een rakere typering van mijn betoog is nauwelijks in een korte zin te geven. Het poldermodel anno 2012 is achterhaald, niet meer representatief voor de bevolking, gecorrumpeerd met een fikse dosis cliëntelisme van (ex) politici, erg duur met vele overbodige overheidsorganen. Hoe kon het zover komen?

Het poldermodel wortelt al in de Middeleeuwen met de waterschappen en de gilden, waarbij consensus van alle betrokkenen een belangrijke voorwaarde was om te kunnen overleven. In de zeventiende eeuw formeerden zich al de eerste bevolkingsgroepen die in (meestal) vreedzame co-existentie samenleefden. Het ging om calvinisten, gematigde protestanten, katholieken en de liberalen. Later voegden zich in de negentiende eeuw de socialisten hierbij. Deze vijf groepen hebben eeuwenlang het stromenland in de polder bepaald. Niemand had de meerderheid, dus samenwerken in de top was (en is) noodzakelijk.

En de tweede helft van de negentiende eeuw werden deze bevolkingsgroepen vertaald in politieke partijen. De eerste was de ARP, de calvinisten onder leiding van Abraham Kuyper . Men sprak toen van zuilen. In de bestuurlijke top van Nederland werd samengewerkt, maar binnen de zuilen zorgde men voor zichzelf, in ‘splendid isolation’. Men ging naar zijn geloofsgenoot de dokter, de kruidenier en de slager. Er waren katholieke , protestantse scholen etc.

Na de oorlog kreeg het corporatisme mede door de overblijfselen van de nazi bezetting een verdere stimulans. Corporatisme houdt in dat veel macht met controle van de staat wordt gedelegeerd aan niet-democratisch gekozen organisaties. Het CDA noemt dit het middenveld. In 1950 werd dan ook de SER opgericht de Sociaal-Economische Raad, waarin naar corporatistisch model, tot dan eigenlijk alleen toegepast in fascistische staten, een tri partite adviesorgaan werd geschapen waarin naast vakbonden en werkgevers, ook de regering een derde van de vertegenwoordigers aanwees. De door de Duitsers tijdens de bezetting opgerichte productschappen werden onder de SER geschoven. Daarmede was het poldermodel ook economisch een feit. Nog circa 350 adviesorganen vele besturen o.a bij pensioenfondsen zouden corporatistisch worden samengesteld.

Het poldermodel werkte na de oorlog goed. Met vereende krachten werd tot eind van de vijftiger jaren gewerkt aan de wederopbouw van het land. Er was onder leiding van de integere minister president Willem Drees groot moreel gezag. Jan van der Brink, de katholieke minister van economisch zaken legde de basis voor een bloeiend bedrijfsleven. Maar in de zestiger jaren verschoof de aandacht naar verdeling van de welvaart in plaats van creatie daarvan. De jeugd kwam in opstand tegen de knellende zuilen verbanden, waardoor de basis werd gelegd voor secularisatie en ontheemding bij de traditionele bevolkingsgroepen. Het gezag van de regenten werd fundamenteel aangetast.

In de jaren zeventig liepen de overheidsuitgaven volledig uit de hand, totdat het eerste Kabinet Lubbers eindelijk stringente bezuinigingen doorvoerde. Dit was mogelijk door het akkoord van Wassenaar in 1982 met werkgevers en werknemers. Feitelijk was dit het laatste grote succes van het poldermodel. In de jaren negentig dacht iedereen dat het poldermodel de onderliggende reden was voor grote economische groei, vooral aan het eind van dat decennium. Later bleken groei van de wereldhandel en het massaal lenen van Nederlanders via hypotheekverhoging de feitelijke redenen achter dat fenomeen.

En waar zitten we dan nu mee? De SER heeft al jaren nauwelijks meer een zinnig advies afgescheiden. Als het al lukt om tot overeenstemming te komen zijn het zouteloze adviezen, voor ieder wat wils waarmee geen enkel probleem in bv de arbeid, zorg en woningmarkt wordt opgelost. Het is dan ook de hoogste tijd dat deze ‘schaduwregering’ voor sociaaleconomisch beleid verdwijnt, het kost veel, vertraagt nog meer en is overbodig, evenals bijna alle andere beleidsformulerende adviesorganen op enkele uitzonderingen, zoals het CPB, na.

Bovendien zitten alle naar schatting 350 advies organen, geprivatiseerde ondernemingen en besturen van pensioenfondsen vol met profiterende partijleden van middenpartijen vooral dus PvdA, CDA en VVD . In mindere mate D66 en GroenLinks. Het gaat om een kring van naar schatting 500 mensen die niet zelden 20 tot 30 (bij) banen hebben.

En zo ontstaan bij wijze van spreken PvdA woningcorporaties, CDA mammoet scholen en VVD zorginstanties. Die middenpartijen hebben aldus een gigantisch reservoir van goed betaalde banen voor hun trouwe achterban. Vriendjespolitiek staat voorop, het systeem is totaal gecorrumpeerd en verrot. Het wordt tijd voor een grote schoonmaak in Den Haag zeker nu men aanstalten maakt de burgers en het bedrijfsleven weer nieuwe lasten op te leggen. Er vallen nog miljarden aan bezuinigingen bij de overheid te halen ook door het opheffen van een aantal bestuurslagen zoals provincies en deelgemeenten. Laten we hopen dat dit thema voor een deel de verkiezingen gaan bepalen.

Deze column werd ingezonden door Grimbert Rost van Tonningen. Heeft u ook iets wat u bezig houdt? Plaats uw eigen column ›