Stel: uw dochtertje scoort op de Cito-eindtoets niet 540 maar 542 punten. Ze krijgt dan volgens de ‘uitleg Cito-score’, een positief advies voor de HAVO/VWO brugklas in plaats van een advies voor ‘HAVO alleen’. Dat zou voor u en uw dochtertje een wereld van verschil kunnen uitmaken. De Cito-adviesscores worden serieus genomen door het vervolgonderwijs. In de praktijk hebben deze scores grote invloed op het toelatingsbeleid.

Een goede leerkracht kan er feitelijk voor zorgen dat uw dochter voorgeselecteerd wordt voor het VWO. Gerichte educatie op de basisschool leidt tot hogere Cito-scores. Educatie zonder focus of aandacht zorgt voor lagere scores. De scores op de Cito-eindtoets zijn dus (onbedoeld) een aanwijzing voor de kwaliteit en inzet van de leerkracht(en).

Dit geldt ook voor de scores van het Cito-leerlingvolgsysteem dat door veel scholen wordt gebruikt. Cito meet jaarlijks de vorderingen van een leerling op spellen, lezen enrekenen. Als nu blijkt dat een groot aantal leerlingen uit groep 5 (zeer) zwak of matig scoort (E of D) kun je zien of hiervan in groep 6 een hogere score (A, B of C) kan worden gemaakt. Het is ook hier de leerkracht die het verschil maakt. De vraag is: moet de leerkracht zich inspannen om een leerling zijn/haar maximale score voor de toetsen te laten halen?

Volgens ons is dat nu precies de bedoeling. In de praktijk wordt echter weinig aan toetstraining gedaan. Sterker nog, er wordt nogal eens met dedain naar toetstraining gekeken. De afwijzende stellingname tegen toetstraining moet op de schop. In de praktijk besteden scholen weinig tijd aan toetstraining maar wel veel tijd aan toetsingafname; tijd waarin geen les wordt gegeven. Naast de vele methodegebonden toetsen, besteedt een school met het Cito-volgsysteem ieder jaar twee keer drie weken aan Cito-toetsing, bijna drie kwartier per dag. Wat is de ratio van al die toetsing als leerkrachten in het basisonderwijs zelf de betekenis van de Cito(-eind)toets voortdurend relativeren?

En waaraan wordt de tijd besteed als de school zegt dat zij training voor de kernvakken te ‘eenzijdig’ vindt?

De School moet focussen op betere prestaties

Veel leerkrachten beschouwen een Cito-score als (volkomen) kind-gebonden “Jammer, maar er zit helaas niet meer in”. De capaciteiten van het kind zijn natuurlijk van belang. Maar een andere verklaring is dat het onderwijssysteem te weinig uit de kast heeft gehaald om leerlingen (zowel op groepsniveau, als ook op individueel  niveau) zo vér mogelijk te brengen.  Ons onderwijssysteem líjkt prima geëquipeerd om te bepalen hoeveel er in een leerling zit en hoe dat eruit kan worden gehaald. De structuur is indrukwekkend: koepelorganisaties, bestuurslagen, toezichthouders en een Onderwijsinspectie met een doortimmerd toetsingskader.

Geen gebrek aan toetsen, lesmethoden, leermateriaal, RT-ers,  (onderwijs)specialisten en vakleerkrachten. Maar waarom zien we met al die hulpstructuren en extra middelen dan jaar na jaar geen stijgende lijn in de onderwijsprestatie?

De leerkracht als professional is verdwenen

De leerkracht hoeft niet meer zoveel zélf te doen. De taak van de leerkracht is stapje voor stapje gereduceerd tot het begeleiden het kind langs de trein van toetsen, het aanzetten tot vele uren zelfstandig werken met behulp van door experts tot in detail uitgewerkte methoden, werkbladen, (instructie)filmpjes, en het voorschotelen van invuloefeningen.  Daarentegen heeft de leerkracht het steeds drukker gekregen met het organiseren van diverse zaken die niet expliciet gericht zijn op verhoging van kennis en vaardigheden in relatie tot de basisvakken. Denk daarbij aan tal van excursies en projecten. Bijvoorbeeld voor zwerfvuil, natuur en milieu, carnaval (voorbereiden en vieren) of ‘samen’ geld ophalen voor een nobel geformuleerd doel. Deze flankerende activiteiten nemen veel tijd in beslag en verstrooien de aandacht van de leerling.  Met die activiteiten vermorsen we bovendien de tijd van leerkracht: de meest bepalende factor voor het leerproces. Intussen is het voor ouders niet meer helder hoe de tijdverdeling er precies uit ziet en wat de resultaten zijn op de kernvakken. De geschetste ontwikkelingen (De leerkracht als begeleider van geprécodeerde oefeningen; resp. De leerkracht als evenementenorganisator) hebben gezorgd voor verschraling en uitholling van het vak van de leerkracht. Het resultaat is dat de leerkracht als professional (kenniswerker) is verdwenen. Van een professionele leerkracht mag verwacht worden dat hij een overwicht heeft op het gebied van de kernvakken (taal en rekenen) en beschikt over een flinke dosis pedagogiek, ontwikkelingspsychologie en onderwijskunde. Het wordt hoog tijd voor een nieuwe kwalificatienorm.

Prestaties van het kind centraal

De extra investeringen in het systeem hebben de comfortzone van de onderwijsgevenden vergroot en de prikkel om beter te presteren doorgeschoven. Maar in het onderwijs wordt de komende jaren de druk opgevoerd om de verschillen tussen scholen en leerkrachten zichtbaar te maken. In ‘excellente’ scholen zullen leerkrachten gericht bezig zijn met hun vak, uitgaande van het leerplan van een leerling. Zij zullen elkaar helpen (te excelleren) bij didactische vraagstukken. De schoolleider stimuleert hen en smeedt hen tot een team, hij meet de leervorderingen en heeft hoge verwachtingen van leerkrachten en leerlingen. Dát is de consequentie van het centraal stellen van de prestaties van het kind.

Daarbij zal ook gekeken worden of de tijd besteed aan ‘diagnostiek’ (lees toetsing) niet teveel les-, instructie- en oefentijd weg snoept. Met het gevaar dat kinderen al vroeg ‘gestigmatiseerd’ worden als non performers, waarmee onderpresteren in het systeem lijkt ingebakken.

Goede leerkrachten hebben een performance ambitie

Zij stellen per leerling vast wat ze ‘uit die leerling willen halen’. Dat doen ze niet alleen voor de kernvakken per individuele leerling. Ze formuleren ook een toetsbare score voor hun groep: 85% van mijn leerlingen moet een A of B op alle toetsen van het leerlingvolgsysteem. Zij zetten vervolgens hun brede variëteit aan didactische strategieën effectief in om alle leerlingen tot uitstekende prestaties te verleiden. Dat is heel andere koek dan aan de ouders uitleggen waarom hun kind zo’n lage Cito-score heeft maar ‘dat er helaas niet meer in  zit’. Een dergelijke conclusie van de leerkracht is overigens niet houdbaar. In het huidige systeem is geen meting opgenomen van datgene wat er in de leerling zit. De professionele leerkracht is gemotiveerd om het maximale uit een leerling te halen en gaat op zoek naar een score (prestatienorm) die op grond van de capaciteit van de leerling tenminste verwacht en liefst enigszins uitdagend genoemd mag worden. Goede leerkrachten maken het verschil; ook binnen de school. Daarom kan binnen de school onevenwichtigheid ontstaan.

Het is primair de taak van de schoolleiding om het beste team te rekruteren. Dit team kan in samenwerking met de leiding het lestijdenmanagement vormgeven. Hoewel steeds meer onderwijsmensen uitgaan van een vorm van zelfontdekkend leren, blijft de vraag relevant hoeveel instructietijd wordt ingepland. En hoe die tijd het best kan worden ingezet om de leerlingen beter te laten presteren.  De leerkrachten zouden bijvoorbeeld meer lestijd kunnen besteden aan het inslijpen van een bepaald type vraagstukken (rekensommen of spellingregels). Dit zgn. ‘automatiseren’ wordt nu geruisloos aan de ouders overgelaten. De toetsindustrie vaart er wel bij.

Minder laissez-faire leiderschap

Schoolleiders zijn vaak ‘laissez faire’ type leiders. Maar omdat de huidige leerkracht geen professionele kenniswerker meer is, werkt dit model niet. Het leiderschap moet zich primair richten op het verhogen van de kwaliteit van de interactie met de leerling. Juist in de interactie komen zowel kennis- als cultuuroverdracht tot stand. De effectiviteit van het onderwijs = kwaliteit van de interactie x kwantiteit (uren leerstofoverdracht) x kwaliteit (adequate methode/didactische strategie). De interactie is gebaat bij een vertrouwen van de leerling in de leerkracht en vice versa. Het gaat bij de wettelijk verplichte 7520 uren (verdeeld over 8 jaren PO), niet om de aanwezigheid op school, maar om de besteding van die tijd. Hoeveel % van die tijd wordt transfer gerealiseerd? De schoolleiding moet zorgen dat de lestijd voor de kernvakken voldoende (effectief) is om een bepaalde performance score te halen. De aandacht voor de andere nuttige of leuke zaken moet ‘on top off’ en niet ‘in plaats van’.  En blijkt die lestijd te weinig? Schroom dan niet om de lestijden voor de kernvakken en voor bepaalde leerlingen uit te breiden, desnoods na schooltijd. Dit betekent prioriteiten stellen, keuzes maken en zoeken naar creatieve en onorthodoxe oplossingen binnen de huidige onderwijs CAO.

Thans ontbreekt een deugdelijk informatiebasis voor sturing en toezicht van veel basisscholen. En voor zo ver die er wel is: het is niet duidelijk of de toezichthouders wel serieus tegenspel leveren of dat hier sprake is van obligate bijeenkomsten met directies.  Hoe dan ook: het toezicht op de schoolbesturen heeft niet bijgedragen aan een betere performance. Waarom heffen we dit toezicht niet op als het niet werkt? We moeten er wel iets voor in de plaats stellen, op de eerste plaats omdat onze kinderen recht hebben op goed onderwijs en een eerlijke kans verdienen op het maximaal ontwikkelen van hun talent. Op de tweede plaats omdat belastinggeld effectief en verantwoord moet worden besteed.

Hier volgen onze 10 punten voor een beter presterend basisonderwijs

  1. De school wordt duidelijk zijn over wat ze gaat toevoegen voor de kernvakken. Daarom doet de school gekwantificeerde uitspraken op basis van de Cito-scores van het leerlingvolgsysteem. De school geeft ook aan hoeveel tijd van het curriculum hieraan besteed zal worden. Deze uitspraken worden gepubliceerd op de schoolwebsite.
  2. Alle scholen maken een kwaliteitsplan met toetsbare doelstellingen per groep en presenteren hun evaluaties op de eigen website. Het plan verschaft systematisch inzicht in: onderwijsprestaties op basis van het Cito-leerlingvolgsysteem, onderwijstijd, onderwijsleerproces en schoolklimaat. We pleiten niet voor dikke boekwerken die nu dikwijls als “schoolplan” worden gepresenteerd. Wij willen wel een kort en bondig overzicht van doelen van de school (onderwijs/kernvakken) en de manier waarop de school deze gaat bereiken.
  3. Met het leerlingvolgsysteem wordt per leerling verantwoording afgelegd over de schoolvorderingen op individueel niveau. De individuele prestatiedoelstellingen worden afgestemd met de ouders. En dit geldt ook voor de groepsscores voor kennisontwikkeling op de school.
  4. De school publiceert de scores uit het leerlingvolgsysteem van alle groepen (1 tot en met 8) in de vorm van percentage leerlingen dat A, B, C, D of E scoort, en publiceert haar (samenvattende) trendanalyses zodanig dat alle ouders en extern geïnteresseerden de vorderingen op de kernvakken kunnen volgen per groep en per school.
  5. Om de leerkrachten maximaal toe te rusten zal de schoolleiding onder meer zorgen voor de aanwezigheid van een gevarieerde en effectief toegepaste mix van didactische strategieën van de leerkrachten. De leerkracht beoordeelt de reeds gekozen en aanwezige methoden in de school hierop en vult deze aan, dan wel voorziet in alternatieve aanpakken ten einde een maximaal resultaat bij de leerling te bereiken.
  6. De school neemt één maal in de schoolloopbaan van de leerling een intelligentietest af bij alle leerlingen (bijvoorbeeld in groep 4 of 5). Op basis van een vergelijking van deze IQ score (wat kan de leerling in potentie bereiken?) en de Cito-scores uit het leerlingvolgsysteem (wat presteert de leerling op dit moment?) kan worden afgeleid of er sprake is van onderpresteren dan wel uitstekend presteren. De ambities van de school worden samen met de ouders op basis van deze tussentijdse meting geformuleerd: ‘Wat mogen we verwachten en hoe gaan we dat realiseren?’ De school verantwoordt zich en publiceert over de afwijkingen tussen verwachte en gerealiseerde Cito-scores, per groep. Afwijkingen op individuele basis worden besproken met de ouders.
  7. De scores van de Cito-eindtoets  wordt op de schoolwebsite geplaatst. De scores worden gevalideerd op basis van de resultaten van leerlingen van de school in het vervolgonderwijs. Op basis hiervan differentieert de ene school zich van de andere.
  8. Het Ministerie van Onderwijs publiceert alle Cito-scores (gemiddelden per school) van eindtoets en leerlingvolgsysteem (samenvatting van gemiddelden) op een digitaal toegankelijk ‘overzicht’ dat in de vorm van een ranking beschikbaar komt.. ‘Hoe goed scoort een school ten opzichte van anderen’ moet in één klap (met een ‘druk op de knop’) zichtbaar zijn. Dit uiteraard onder zinvolle noemers, dus bijvoorbeeld gedifferentieerd naar regio/plaats. Zo verantwoordt het onderwijsveld zelf de investeringen en haar eigen inspanningen op een overzichtelijke manier. Voor ouders die een basisschool moeten kiezen, betekent deze stap aanzienlijk minder uitzoekwerk. Omdat ook ervaringen van ouders niet makkelijk gebundeld worden is een oordeel over basisscholen vaak gebaseerd op ruis en slecht controleerbare pr-activiteiten. ‘Hoe goed doet de school het nu echt’, wordt helaas maar al te vaak pas zichtbaar tijdens de schoolloopbaan van hun kinderen.
  9. Het Cito wordt helder over welke kennis (veronderstelde lesinhoud) zij in welke toetsmomenten meet. Cito publiceert hierover op een toegankelijke en overzichtelijke manier en stelt daarbij tevens een goed gevulde databank met toetsopgaven beschikbaar waarmee leerlingen, ouders en leerkrachten de specifieke kennis die getoetst gaat worden kunnen oefenen. Ze weten dan ook meteen hóe het Cito deze kennis toetst.
  10. De politiek is aan zet. Het kan eenvoudig weg niet zo zijn dat Cito door de operationalisering (in toetsen) van het voorgeschreven onderwijsniveau de onderwijsniveaunorm bepaalt. Het kan ook niet zo zijn dat Cito de kennis die ze zelf toetst feitelijk monopoliseert en er een sport van maakt om vreemd aandoende en niet te controleren opgaven te produceren. Een periodieke onafhankelijke methodisch-wetenschappelijke toetsing van Cito moet daarom overwogen worden.

Carien Verhoeff, zelfstandig organisatie-adviseur en onderwijskundige

Leo Kerklaan, directeur Franeker Management Academie. Adviseert over prestatiemanagement.