Het CITO toetste in februari 2012 162.000 leerlingen in groep 8 van de basisschool. Het doel? Een verantwoorde doorverwijzing naar een school voor voortgezet onderwijs. Weet de school dan niet welk vervolgonderwijs (VO) een leerling aan kan? Natuurlijk wel. De meeste basisscholen gebruiken het Cito Leerling Volgsysteem waarbij de kinderen –jaar na jaar- worden getoetst op kennis van de basisvakken. Aan toetsen geen gebrek. Maar de prestaties van de basisschool en de leerkracht zelf blijven volledig buiten beeld. Tijd voor verandering.

Wie wil weten hoe een school scoort ten opzichte van andere basisscholen, komt van een koude kermis thuis. Wie wil nagaan of de school de leeropbrengsten van de leerlingen verhoogt tussen de verschillende toetsmomenten in komt daar ook niet achter. Vitale prestatie-informatie over de school en onderwijs blijkt niet publiekelijk beschikbaar. Waarom niet? Wat we wel weten is dat het -ondanks forse extra investeringen- niet beter gaat in het onderwijs. Hoe komt dat? In deel 1 van dit tweeluik analyseren wij de kwaliteit in het basisonderwijs. In deel 2 presenteren wij voorstellen om met meer effect te werken aan talentontwikkeling van kinderen. Dit is mogelijk zonder extra kosten te maken. Het CITO en de scholen moeten met de billen bloot. Wat gebeurt er eigenlijk onder schooltijd, en hoe (goed) wordt ons belastinggeld in het primair onderwijs besteed?

Meer middelen maar prestaties blijven uit

‘Er zijn geen aanwijzingen dat de leerlingen in de periode 1998 tot en met 2009 beter zijn gaan presteren. Het blijft onduidelijk wat de fors toegenomen inzet van personeel en materiaal heeft opgeleverd’. Dat concludeerde onlangs het SCP (januari 2011, Waar voor ons belastinggeld?). Dat zo’n conclusie zorgt voor opwinding in het onderwijsveld is voorspelbaar. Veel onderwijsgevenden zijn gevoelig voor de kritiek van ‘buitenstaanders’ op het (hun) onderwijs’. Men duikt in de slachtofferrol en dan komen er allerlei vormen van externe attributie tevoorschijn. Niet-onderwijzend Nederland wil maar niet begrijpen hoe moeilijk het is om onderwijs te geven.  Onderwijsbonden vragen steeds weer om meer geld, verzetten zich hevig en emotioneel tegen voorgenomen bezuinigingen en grijpen nogal makkelijk naar het stakingsinstrument. ‘De bezuinigingen zijn een aanslag op de kwaliteit van ons onderwijs en de meest kwetsbare leerlingen worden daar de dupe van’, zo houden de vakbonden ons voor. Het is toch duidelijk: er wordt veel van de leerkracht gevraagd: te grote klassen, steeds meer kinderen met specifieke gedragsproblematiek of leerstoornissen, een relatief hoog aantal allochtonen. We moeten het niet bagatelliseren, steeds meer kinderen lijken de kenmerken te hebben van ADHD, ADD, dyslectie en autisme. Om aan deze en andere prestatiebelemmerende factoren tegemoet te komen heeft Nederland in de afgelopen jaren meer in zijn primair onderwijs (PO) geïnvesteerd. Het SCP heeft onderzocht of die extra investeringen helpen. Hebben ze geleid tot aanwijsbare verbeteringen? Heeft de belastingbetaler de onderwijsopbrengsten zien stijgen? Nee, dus. Het SCP oppert in de laatste zin van haar rapport -het venijn zit in de staart- dat het niet ondenkbaar is dat sommige ombuigingen het volume en de kwaliteit van de publieke dienstverlening minder zullen aantasten dan velen op dit moment voorzien. Mooi gezegd, maar besef wel: bezuinigingen in het onderwijs behoeven niet automatisch tot kwaliteitsverlies leiden.

Onderpresterend onderwijs is grote schadepost

Ook andere onderzoeken, zoals het Periodiek Peilingsonderzoek van het Onderwijsniveau (PPON), geven aan dat het eindniveau niet is toegenomen. Het PPON heeft de leeropbrengsten afgezet tegen standaarden die aansluiten bij de geformuleerde kerndoelen van het basisonderwijs. De standaarden zijn gekozen met als uitgangspunt dat 75% van de leerlingen eraan moet kunnen voldoen. Op veel terreinen haalt echter nog geen 60%, of zelfs minder dan 50% van de leerlingen de vereiste norm (Van der Schoot, Onderwijs op peil. Een samenvattend overzicht van 20 jaar ppon, 2008). Het SCP concludeert dan ook dat de leeropbrengsten in het basisonderwijs zeker niet voldoen aan de normen die deskundigen stellen. De maatschappelijke schade van een onderpresterend onderwijssysteem is groot. De talenten en potenties van kinderen blijven onontdekt. De kinderen worden nu in een door onderwijskundigen opgezet traject van toetsopgave naar toetsopgave gestuurd. Er is te weinig ruimte om de eigen mogelijkheden van het kind grondig te exploreren en te ontwikkelen. De instructiecapaciteit (tijd en kwaliteit) is daarvoor niet toereikend en niet adequaat.  Niet zelden zullen ouders die (veel) meer van hun kind verwachten dan de toetsresultaten op school laten zien, het falen van de school thuis gaan compenseren. Zij verruimen in eigen tijd de onderwijstijd van hun kinderen met extra lessen en oefeningen. De tekortkomingen van het falend onderwijs worden ook later in de beroepspraktijk opgemerkt en wederom gecompenseerd, bijvoorbeeld in de vorm van aanvullende bedrijfsopleidingen. De KNAW kwam tot de conclusie dat het rekenpeil op de basisschool omhoog moet omdat Nederland anders zijn sterke internationale positie dreigt te verliezen (Rapport Rekenonderwijs op de basisschool. Analyse en sleutels tot verbetering, 2009). Wel beschouwd wordt het onderwijs voor de belastingbetaler ongemerkt verschrikkelijk duur. Het beeld dat het SCP ons voorschotelt moeten we dan ook bijzonder serieus nemen. Hoe goed is de performance van ons primair onderwijs? Kennelijk is het systeem niet in staat om van binnenuit gedreven continue te verbeteren. Een teken aan de wand.

Benchmarking van basisscholen ontbreekt

Er bestaat nog geen ‘Elsevier score voor basisscholen’. Toch zou dat interessant zijn voor de ouders die voor hun kind (in principe) uit 7500 basisscholen kunnen kiezen. Aangetoond is dat verschillen in onderwijskwaliteit van scholen leiden tot verschillen in onderwijsopbrengst. Robert J. Marzano (Wat werkt op school, research in actie, 2009) heeft met onderzoek een groot aantal factoren benoemd die beïnvloedbaar zijn door de school en bijdragen aan de leerprestaties van het kind. De school en de leerkracht maken het verschil. De prestaties van leerlingen van effectieve leraren nemen overduidelijk meer toe dan de prestaties van leerlingen van de minst effectieve leerkrachten. Variëteit in en de kwaliteit van het didactisch en pedagogisch handelen zijn bepalende factoren. Een goede school is in staat om leerlingen goed te laten presteren, ongeacht de samenstelling van de groep. Simpel gezegd: het is uiteindelijk de leerkracht die het ‘m doet. De rest is bijzaak. In het onderwijs heerst echter een ‘administratiegekte’ (K.J.C. Broekhuizen, FD 11 februari 2012, Papieren werkelijkheid in het onderwijs). De bureaucratie met vele niet zinnige registraties draagt niet bij aan beter onderwijs. Daarentegen, een school met een sterk team wel. Zo’n school zal beter scoren dan een gemiddelde school. Maar voor de ouders is het feitelijk onmogelijk om basisscholen te vergelijken. Het primair onderwijs kent geen publieke benchmarking.

Cito-toets geeft indicaties over de prestaties van de school

Interessant is dat de conclusie van het SCP mede is gebaseerd op de Cito-eindtoets die in groep 8 wordt afgenomen. Over deze toets is veel te doen omdat hij enorme impact heeft bij de toelating tot het vervolgonderwijs. Er worden dan ook regelmatig vragen gesteld over de methodologie van deze toets en de wijze van toetsafname.  Ook onderwijsgevenden zijn niet onverdeeld gelukkig met deze eindtoets. Ze vinden hun eigen adviezen beter, maar zullen lang niet altijd van de CITO-adviezen afwijken. Het draagvlak voor de toets neemt af. In de kern meet de toets hoeveel bagage van de kernvakken een kind heeft meegekregen in 8 jaar PO. Dus niet de intelligentie of capaciteiten van het kind. De score is bovendien -zo claimt het Cito- onafhankelijk van de door de scholen gehanteerde lesmethoden. Maar er is meer over deze toets bekend: de resultaten van de leerling zijn beïnvloedbaar door de leerkracht. Prem Radhakishun speelde hier (2009) handig op in. Hij stelt ‘een leerachterstand is een wanprestatie van de school. Het is belachelijk dat kinderen zo onder druk worden gezet voor een toets’. Ook hij toonde aan dat met een beetje meer aandacht en een gerichte training de score valt op te krikken. Niet elke leerkracht of directeur was blij met deze conclusie. Achterstanden in leervorderingen zijn klaarblijkelijk in te lopen. De Cito toets laat zien welke progressie het onderwijs heeft aangebracht. De toets legt daarom de bal bij het onderwijs zelf. Een voorbeeld: als de resultaten in groep 8 tegenvallen kan een goed werkend team van leerkrachten bereiken dat na enkele jaren een hogere Cito-score wordt gerealiseerd.

Cito-toets voor onderwijsgevenden

De gemiddelde Cito-score schommelt al jaren rond de 535 (op een schaal van 500-550). Het Cito claimt dat de variaties in moeilijkheidsgraad van jaar tot jaar klein zijn. Dit is een duidelijke aanwijzing dat het prestatieniveau van het onderwijs inderdaad niet is verbeterd. Het paradoxale doet zich nu voor dat een adviesscore die bedoeld is om een oordeel te geven over de prestatie van de individuele leerling (waarop veel kritiek is),   gebruikt kan worden als prestatiemaatstaf voor de onderwijsgevenden zelf. De rollen worden omgedraaid: met de Cito-score beschikken we over een benchmark voor het primair onderwijs. Ook de Onderwijsinspectie weet dat en verzamelt deze scores om meer inzicht te krijgen in de zgn. opbrengstkwaliteit van scholen. Wie echter naar een overzicht van Cito-scores zoekt, krijgt ze niet te pakken. De Inspectie geeft geen overzicht, Cito doet dit eveneens niet. De scholen publiceren hun eigen scores lang niet altijd, en geven vrijwel nooit een trendmatig ontwikkeling daarvan. Wanneer we dit veranderen introduceren we weer feedback in het onderwijs. Dat zal de kwaliteit een impuls geven en de scholen aanzetten om het maximale uit een leerling te halen. Het geheim: professionele leerkrachten. Daarover meer in onze volgende bijdrage.

Samengevat:

  1. Ondanks extra investeringen is de onderwijskwaliteit in de afgelopen jaren niet toegenomen
  2. De leeropbrengsten basisonderwijs voldoen niet aan de normen van deskundigen
  3. Bezuinigingen in het onderwijs behoeven niet noodzakelijkerwijs tot prestatievermindering te leiden
  4. Vergelijken van scholen en leerkrachten is niet mogelijk voor belanghebbende ouders
  5. Ouders en bedrijfsleven leveren een flinke bijdrage om falen van de school te compenseren
  6. De school en de leerkracht maken het verschil; de rest is bijzaak
  7. Scholen met een sterk team leveren de beste prestaties
  8. Cito-toets geeft inzicht in de belangrijkste prestatie van school en leerkrachten
  9. De Cito-toets moet voor publieke benchmarking beschikbaar komen.

 

Auteurs: Carien Verhoeff, zelfstandig organisatie-adviseur en onderwijskundige. Leo Kerklaan, directeur Franeker Management Academie. Adviseert over prestatiemanagement.