De woorden ‘leider’ en ‘leiderschap’ zijn zodanig in hedendaagse managementsstructuren ingeburgerd dat niemand blijkbaar nog bij hun vanzelfsprekendheid stilstaat.

Leiders impliceren echter nog steeds per definitie volgelingen, en volgelingen zijn nog steeds per definitie slaven. Geen enkele leider in eender welk managementsteam durft het aan zijn leidersrol volledig op te geven omdat hij/zij niet durft toegeven of eenvoudig niet beseft dat macht onmacht is.

Wanneer men niet in staat is zonder het gebruik van de ‘macht van de leider’ – of zonder het spelen van de kinderlijke toneelrol ‘leider’ – effectieve veranderingen ten gunste van het eigen bedrijf door te voeren, is dat een teken van onmacht. Op dat moment zal de ontologie van ‘de leider’, c.q. de realiteit, zonder einde dwingen tot het opgeven van die machtsrol. De mens blijft immers een diersoort, en geen enkele diersoort verdraagt onvrijheid. Elke poging die vrijheid via gelijk welk begrip, systeem, toneelspel of gelijk welke kennis in te perken is bijgevolg gedoemd te mislukken.

Onze zogenaamde ‘kennismaatschappij’ verschilt in deze zin nog steeds weinig van de verkalkte organisatiestructuur van de Romeinen, gezien kennis geen macht maar onmacht is zolang er leiders zijn. De hulpeloze pogingen van de meeste leiders om de persoonlijke ontwikkeling van hun ondergeschikten ‘uit alle macht’ te beperken tot hun functie – ‘specialisatie’ – zijn slechts een naïeve dagdroom in hun eigen geestelijke gevangenis, waaruit ze al bij het eerste conflict op de werkvloer ontwaken.

Maar blijkbaar dromen we allemaal verder.

Deze column werd ingezonden door Jan Braeken. Heeft u ook iets wat u bezig houdt? Plaats uw eigen column ›