Met deze vragenlijst kunt u achterhalen wat uw persoonlijke manier van leren is en hoe u omgaat met dagelijkse situaties in uw werksituatie.

Hieronder staan 12 vragen met elk 4 antwoordmogelijkheden. Van deze antwoordmogelijkheden dient u aan te geven in welke volgorde zij voor u het meest van toepassing zijn. Dit kunt u doen door een cijfer, variërend van 1 (minst van toepassing) tot 4 (meest van toepassing) toe te kennen aan de antwoordmogelijkheden. Dus, als u vindt dat een
bepaald antwoord het beste uw manier van leren beschrijft, dan geeft u het cijfer 4. Een antwoord dat het minst uw manier van leren beschrijft, geeft u het cijfer 1.

Wilt u controleren of u geen enkele vraag onbeantwoord laat?

Voorbeeld

0 Als ik leer 2 ben ik gelukkig 4 ben ik snel 3 ben ik logisch 1 ben ik zorg- vuldig
1 Als ik leer: _ wil ik op mijn gevoel
afgaan
_ wil ik kijken en luisteren _ wil ik nadenken over
ideeën
_ wil ik dingen doen
2 Ik leer het best wanneer
ik:
_ op mijn intuïtie afga _ luister en oplet _ vertrouw op logisch
nadenken
_ iets gedaan moet krijgen
3 Wanneer ik bezig ben met
leren:
_ heb ik sterke emoties en
reacties
_ ben ik rustig en
gereser- veerd
_ wil ik dingen berede- neren _ ben ik verant- woordelijk
4 Ik leer door: _ te voelen _ te kijken _ te denken _ te doen
5 Als ik leer: _ sta ik open voor nieuwe
ervaringen
_ bekijk ik alle kanten van
de zaak
_ wil ik dingen dieper
analyseren
_ probeer ik dingen uit
6 Wanneer ik leer: _ ben ik gevoelig _ ben ik beschou- wend _ denk ik logisch na _ ben ik actief
7 Ik leer het best van: _ persoonlijke relaties _ observe- ren _ rationele theorieën _ uitproberen en oefenen
8 Als ik leer: _ voel ik me persoonlijk
betrokken
_ denk ik goed na vóór
iets te doen
_ houd ik van theore- tiseren _ wil ik resultaten zien
9 Ik leer het best wanneer
ik:
_ vertrouw op wat ik voel _ vertrouw op wat ik zie en
hoor
_ vertrouw op mijn ideeën _ ideeën zelf kan
uitproberen
1
0
Wanneer ik leer: _ gedraag ik mij zeer open _ gedraag ik mij
gereser- veerd
_ gedraag ik mij rationeel _ voel ik me
verant- woordelijk
1
1
Als ik leer: _ ben ik zeer betrokken _ houd ik ervan om te
observe- ren
_ houd ik ervan om te
evalueren
_ wil ik actief bezig zijn
1
2
Ik leer het best wanneer
ik:
_ open sta voor nieuwe
inzichten
_ voorzichtig ben _ ideeën kan analyseren _ praktisch te werk kan gaan
Totaal van de scores per kolom _ kolom 1 _ kolom 2 _ kolom 3 _ kolom 4

Mensen verschillen nogal in de wijze waarop ze leren. Leren is op te vatten als een proces dat uiteindelijk leidt tot gedragsverandering. In dit proces zijn verschillende fasen te onderscheiden, zoals het verzamelen van informatie, het toetsen van nieuwe inzichten of het nadenken over dingen die je overkomen. De psycholoog Kolb deed onderzoek naar de fasen in het leergedrag van mensen en hij vond vier fasen.

Deze vier leerfasen kunnen worden beschreven in termen van de vaardigheden die bij die fasen horen.

  1. Concreet ervaren (‘feeling’)
  2. Waarnemen en overdenken (‘watching’)
  3. Abstracte begripsvorming (‘thinking’)
  4. Actief experimenteren (‘doing’)

Deze vier fasen volgen logisch op elkaar: als u iets meemaakt (ervaring) is het belangrijk daarna uw ervaringen te overdenken (reflectie) en te veralgemeniseren (begripsvorming). U
kan dan een aanpak bedenken waarmee u een overeenkomstige gebeurtenis tegemoet kan treden (experimenteren).

Als u die nieuwe aanpak, dat geleerde gedrag, daadwerkelijk gebruikt doet u weer nieuwe ervaringen op (concrete ervaring) waarover u weer kan nadenken (reflectie), zodat u nieuwe inzichten krijgt (begripsvorming). Op grond van het model is het mogelijk allerlei verschillende leerervaringen te ordenen. Kolb beschreef een ideaal leermodel. De vier fasen herhalen zich volgens Kolb voortdurend in deze volgorde.

Dit leermodel valt dan ook te zien als een cyclisch model:

Het is niet nodig altijd met een concrete ervaring (bovenaan de cirkel) te beginnen.

Als u bijvoorbeeld voor het eerst een videorecorder moet bedienen, kunt u op diverse manieren proberen uit te vinden hoe het ding werkt.

  • U kunt allerlei knoppen indrukken (experimenteren) en kijken wat er gebeurt (ervaring en waarschijnlijk ook reflectie).
  • U kunt ook nadenken over wat u weet over soortgelijke apparaten, bijvoorbeeld over bandrecorders, want die lijken qua bediening op een video (reflectie) en zo een idee krijgen over de bediening (begripsvorming) dat u toetst in de praktijk (experimenteren).
  • Een andere mogelijkheid is dat u iemand vraagt om voor te doen hoe het apparaat bediend moet worden (ervaring), zodat u zich zelf een beeld over de bediening kan vormen (reflectie, begripsvorming) dat u vervolgens uitprobeert in de praktijk (experimenteren).

Het is natuurlijk mogelijk de leerfasen in een andere volgorde te doorlopen of een fase over te slaan. Echter, wanneer fasen worden overgeslagen of te snel doorlopen daalt het leerrendement. Dat is te begrijpen: ervaring wint aan waarde als je erover nadenkt, inzichten worden pas echt bruikbaar als je ze uitprobeert (experimenteren) en toetst (ervaring, reflectie).

In het voorgaande werd gesteld dat men zich het leerproces kan voorstellen als een cyclisch proces van vier fasen die idealiter altijd in dezelfde volgorde (maar niet altijd vanuit hetzelfde beginpunt) worden doorlopen. Mensen hebben echter voorkeuren voor bepaalde fasen uit die cyclus: ze beginnen bij voorkeur in één bepaalde fase of besteden er de meeste tijd aan. Een mathematicus bijvoorbeeld zal veel tijd besteden aan abstracte begripsvorming, terwijl een bedrijfsleider zich eerder zal richten op het in de praktijk toetsen van ideeën.

Er blijken vier leerstijlen te onderscheiden, welke steeds gekoppeld zijn aan de fasen in de leercirkel.

  • Accomodator (‘doener’): Wat is er nieuw? Ik ben in voor alles – fase 1
  • Divergeerder (‘bezinner’): Ik wil hier graag even over nadenken – fase 2
  • Assimilator (‘denker’): Hoe is dat met elkaar gerelateerd? – fase 3
  • Convergeerder (‘beslisser’): Hoe kan ik dit toepassen in de praktijk? – fase 4

Doeners leren het beste van

  • directe ervaring, dingen doen
  • nieuwe ervaringen, het oplossen van problemen
  • in het diepe gegooid worden met een uitdagende taak.

Bezinners leren het beste van

  • activiteiten waar ze de tijd krijgen/gestimuleerd worden (achteraf) na te denken over acties
  • als de mogelijkheid wordt geboden eerst na te denken en dan pas te doen
  • beslissingen nemen zonder limieten en tijdsduur.

Denkers leren het beste van

  • gestructureerde situaties met duidelijke doelstellingen (congressen, colleges, boeken)
  • als ze de tijd krijgen om relaties te kunnen leggen met kennis die ze al hebben
  • situaties waar ze intellectueel uitgedaagd worden
  • de kans krijgen vragen te stellen en de basismethodologie, logica etc. te achterhalen
  • theoretische concepten, modellen en systemen.

Beslissers leren het beste van activiteiten waar

  • een duidelijk verband is tussen leren en werken
  • ze zich kunnen richten op praktische zaken
  • ze technieken worden getoond met duidelijke praktische voorbeelden
  • ze de kans krijgen dingen uit te proberen en te oefenen onder begeleiding van een expert.

Kolb ontdekte dat mensen geneigd zijn vooral die leerfase te ontwikkelen waar ze toch al ‘sterk in zijn’. Hij pleitte er voor dat mensen ook aandacht zouden besteden aan die leerervaringen waarin ze minder goed zijn. De leercyclus kan dan meer volledig en evenwichtig doorlopen worden, waarbij elke fase de aandacht krijgt die ze verdient. In een groep zorgt de diversiteit van bijdragen van de verschillende groepsleden er meestal voor dat dit het geval is.

In opleidingen ligt het accent vooral op overdenking en theorievorming (dus: assimilerende leerstijl). Je leert hoe dingen samenhangen en hoe je ze in een theoretisch kader kunt
zien. Aan de andere fasen van de leercyclus, experimenteren en ervaren (accomoderende leerstijl) wordt meestal minder aandacht besteed. Door het jarenlang moeten werken volgens één bepaalde leerstijl verandert de eigen leerstijl. Daarom hebben veel studenten als gevolg van hun ervaringen op school en universiteit een overdenkende en theoretiserende leerstijl.

Allround-leerders zijn mensen die alle vier de leerstijlen beheersen. Het leren beheersen van al deze leerstijlen is nu wat men vaak noemt ‘leren te leren’.

De vier kolommen waarvan u zojuist de totaalscores heeft uitgerekend, zijn gerelateerd aan de vier fasen van de leercyclus: Concreet Ervaren (CE), Waarnemen en Overdenken (WO), Abstracte Begripsvorming (AB) en Actief Experimenteren (AE). Noteer uw totaalscores hieronder.

Kolom 1 (CE): ___

Kolom 2 (WO): ___

Kolom 3 (AB): ___

Kolom 4 (AE): ___

Geef in het bovenstaande diagram uw scores weer op de bijbehorende assen. Verbind de punten vervolgens met elkaar. De vorm van de figuur die ontstaat zegt iets over de wijze waarop u zelf leert. Breng uw scores CE, WO, AB en AE op de juiste wijze over naar onderstaande formules:

___ - ___ = ___ ___ - ___ = ___
AB CE AB-CE AE WO AE-WO

Een positieve score op de AB-CE schaal geeft aan dat uw stijl meer abstract is. Een negatieve score op de AB-CE schaal geeft een meer concrete leerstijl aan. Op dezelfde wijze betekent een positieve of negatieve score op de AE-WO schaal dat uw leerstijl vooral actief dan wel vooral passief is. Door in bovenstaande figuur uw scores op de beide assen te plaatsen en vervolgens het verbindingspunt te tekenen, kunt u zien welke leerstijl bij u overheerst. De vier kwadranten representeren de vier leerstijlen of leertypes: de doener, de bezinner, de denker en de beslisser.

Meer ‘Kolb’ is overigens te vinden op de site van de universiteit van West Florida, op een pagina waar een bibliografie en een aantal links over het onderwerp staan.