In het NRC Handelsblad is sinds zaterdag voor een week (11 juni) een geanimeerde discussie losgebarsten rond het thema ‘managers versus de werkvloer’. Het gaat natuurlijk alle kanten op: er moet een eind komen aan de intensieve menshouderij (ondergetekende), de manager beroofd de wereld van zijn bezieling door zijn procesdenken (filosoof Ad Verbrugge), het zijn de economen met hun idiotie dat je de wereld met kengetallen (resultaatmeting) kunt besturen (filosoof René ten Bos), het is de schuld van de Haagse politici die met hun bureaucratie de managers dwingen tot dit gedrag (Jaap van den Heuvel, voorzitter RvB Canisius-Wilhelmina-ziekenhuis), etc. etc. De vraag of managers, afdelingschefs, economen of politici de kloof tussen de voet van de samenleving en de voet van organisaties hebben veroorzaakt is het best te beantwoorden met de vraag: Waar zitten de overeenkomsten? Of ook interessant, wie hoort er in dit bovengenoemde rijtje niet thuis? Of ook leuk, wie staan er in het rijtje niet genoemd en is dat toevallig?

Ze hebben allemaal gemeen dat het (zeer) intelligente mensen zijn en die hebben weer gemeen dat ze snel kunnen denken en snel verbanden leggen. Ze zijn inderdaad niet dom, ze hebben allemaal de neiging om na één dansles zelf te hebben gevolgd, denken dansleraar (m/v) te kunnen zijn. Ze kunnen zo in hun ‘gedachte werkelijkheden’ opgaan dat ze niet meer in de gaten hebben dat ze volkomen losstaan van wat er elders in land of in de eigen organisatie leeft. Overtuigen en rationaliseren hebben ze verheven tot kunst en diegenen die hun denkmodellen niet begrijpen vertonen weerstand: ‘we leggen het je nog een keer uit (weer een PowerPoint)’. Na drie keer ‘uitleggen’ is daar het gat van de deur als je niet meebuigt in de door hen gewenste richting. Verbrugge slaat de spijker op zijn kop als hij stelt dat zogenaamde objectieve doelen worden gehanteerd voor de eigen subjectieve machtsuitoefening (ten behoeve van de bonus of het eigen CV). De te behalen doelstellingen heeft ze blind gemaakt voor de dagelijkse realiteit. De dagelijkse realiteit is er om door hen betekenis te worden gegeven en als het even kan naar hun hand te zetten. Daarom hebben ze al die (gedetailleerde) plannen nodig, ze zijn zo slim dat ze denken de werkelijkheid te kunnen omsingelen met plannen. Ze worden trouwens ook niet afgerekend op de realiteit, maar op de behaalde meetbare doelen (‘Hoeveel bekeuringen heb jij al gehaald deze week?). Ten Bos stelt terecht: het mooiste boek van de hoogleraar is minder belangrijk dan het onderzoeksgeld dat hij weet binnen te slepen. Zo ontstond de watertomaat (meetbaar niets mis mee) en de drama’s bij Enron, Shell en Ahold. De vier groepen hebben gemeen dat ze allemaal een afbeelding van de werkelijkheid (zoals een kengetal, een kritische succesfactor, een organogram, een competentieprofiel, een concept, een persoonlijk ontwikkelingsplan (POP) en een begroting) voor de realiteit houden. Dat is niet omdat ze dom zijn, dat komt juist omdat ze zo slim zijn. Maar het is een ernstige misvatting. Zo werken we inmiddels met geïnstitutionaliseerde kwaliteitszorgsystemen die weinig zeggen over de echte kwaliteit en toch rekenen we elkaar erop af. René Magritte wees daar in 1929 o.a. al op met zijn befaamde schilderij: Dit is geen pijp (want je kunt er niet uit roken).

In het rijtje hoort tot de jaren ‘90 de afdelingschef niet thuis, die man (m/v) kwam tussen de beide lagen (werkvloer – managers) in te hangen en kwam in een spagaat terecht. Zijn referentiekader lag bij de werkvloer waaruit hij voortkwam als beste jongetje van de klas. Maar met zijn nieuw aangeleerde managementtaal werd hij geacht loyaal te zijn aan het zittende management/regime. Toen golfde in de jaren 90 het goed opgeleide middenkader in grote getale van de hogescholen. Mensen zonder enige praktijkervaring, maar die al heel snel in leidinggevende posities werden gezet. Ze werden geselecteerd op hun vermogen de modellen van de top te implementeren en hadden vooral heel veel ambitie om die top zelf te bereiken: up-or-out heet deze ratrace. De werkvloer vormen de ‘targets’ voor hen in Stap 5’: Implementatie. De politici hoorden overigens ook in het rijtje niet thuis toen ze nog ‘volksvertegenwoordigers’ waren in plaats van beroepspolitici.

Wie worden hier niet genoemd? De ondernemer en de werknemer aan de voet van de organisatie: twee groepen die niet werken met gedetailleerde plannen en doelen, maar mensen die in verbinding staan met de buitenwereld in het hier en nu zoals de onderwijzer met zijn leerling, de verpleegkundige met de patiënt, de loodgieter met zijn klus en de ondernemer met de klant. De wereld geeft hen vooral betekenis. Mensen die primair de ambitie hebben de beste te willen worden in hun vak en daar hun beroepseer in leggen. De grootste wordt je immers vanzelf als je de beste bent. Wanneer sturen deze lezers ook eens ingezonden brieven naar het NRC Handelsblad? Of is het geen toeval dat juist zij niet reageren?

Deze column werd ingezonden door Jaap Peters. Heeft u ook iets wat u bezig houdt? Plaats uw eigen column ›