Deugt het model van Kolb over leerstijlen? Kunnen we wat met het concept van de lerende organisatie van Senge? Naar aanleiding van deze vragen is er op 1MinuteManager.nl en JongeBazen.nl een discussie ontstaan over de kwaliteit van modellen en concepten: We worden doodgegooid met veelbelovende management concepten maar wat stellen ze voor?

Veel modellen en concepten, bijv. INK-model, 7S-model of BSCard zijn eigenlijk checklisten van relevante categorieen of aandachtsgebieden. Daar is niks mis mee maar hoe leidt zo’n model nu tot verbetering van het bedrijfsresultaat? Dat blijft de grote vraag.

Wat is een goed concept
Er zijn tientallen van dit type checklist-modellen. Wat we vaak zien is dat de verschillende onderdelen van zo’n model verbonden worden door lijnen, pijlen en feedback-loops. Dit roept de suggestie op van samenhang en oorzakelijk of volgtijdelijk verband. Maar hoe het precies zit wordt niet duidelijk. Papier en powerpoint zijn geduldig. Zo staan de ‘Shared values’ in het 7S model centraal gepositioneerd als een soort vliegwiel dat de andere aandachtsgebieden aandrijft. Dit model heeft al veel organisaties narigheid gebracht vanwege de verwoede pogingen om ‘ shared values’ tussen de oren te krijgen. Pogingen die telkens weer stranden omdat ze op foute veronderstellingen zijn gebaseerd.

Wat voor concepten bieden meer perspectief? Leo van der Burg pleit (in de hierboven vermelde discussie) voor dynamische concepten die beter passen bij de ontwikkeling van mens en organisatie. Terecht denk ik. Maar dan? Bij welke concepten kom je uit. Een organisatie is in voortdurende ontwikkeling. Maar wat ontwikkelt zich? Het systeem, de techniek, de markt, de klant, het doelsubsysteem, de mens, de 7 S’n of de 9 categorieen van INK? Verwarring doet zijn intrede. Hoe daarmee om te gaan? In de volgende tekst heb ik samengevat in welke richting ikzelf de oplossing zoek.

Actoren en systemen of mensenwerk
Wat voor manier van kijken biedt perspectief? Organisaties zijn voor mij netwerken van relaties tussen mensen. Macht en afhankelijkheid spelen een centrale rol in die relaties en in de manier waarop mensen zich gedragen. Ik snap niet goed waarom velen zo verhuld hierover praten en schrijven. Men heeft het bijvoorbeeld over actoren en subsystemen. Volgens mij kunnen we het beter over mensen en over teams hebben. En dan vooral over de relaties er tussen en het ‘spel’ – het patroon in de interactie – tussen hen.

Hoe kan je relaties in hun ontwikkeling het beste typeren? Ik geef een voorzet: Als een dynamische spanningsbalans tussen de afhankelijkheid die mensen ervaren vs de autonomie die ze zoeken. Deze spanningsbalans zien we op verschillende manieren en niveaus; bijvoorbeeld tussen centraal vs decentraal en tussen sturing vs zelforganisatie. En ook bij de meer horizontale relaties tussen en binnen teams ‘eigen belang vs gezamenlijk belang’ en meer verticaal tussen bazen en medewerkers ‘top down vs bottom up’ of ‘sturing vs eigen verantwoordelijkheid’.

Sturen op verantwoordelijkheid
Welke ontwikkeling van organisaties valt met dit concept wat beter in het oog? Sommige organisaties slagen er in de spanningsbalans tussen sturing en zelforganisatie hoog op te voeren door steviger sturing en meer zelforganisatie samen te doen gaan. In mijn ervaring en gestaafd door enig historisch onderzoek, blijken deze organisaties relatief succesvol. We hebben hier te maken met de paradox dat meer gebondenheid samengaat met meer verantwoordelijkheid. Hoe bestaat het? Wat is dit voor raar concept? Daar kan toch geen logica achter zitten? Logisch of niet, het kan en het werkt!

Dit is het type organisatie ontwikkeling waarin ikzelf sterk geïnteresseerd ben geraakt. Ook op micro-schaal, bijv. in de relatie tussen baas en medewerker ben ik een wat doorontwikkelde combinatie van sturing én eigen verantwoordelijkheid als veelbelovend gaan zien.

Te abstract
Het is overigens maar zelden dat ik mijn referentiekader zoals hier, heel bondig probeer duidelijk te maken. Waarom? Omdat het op deze manier moeilijk te begrijpen is. Het is te abstract. Het komt pas tot leven als ik het gebruik om de problemen en de ontwikkelingen die ik in de praktijk tegenkom, te beschrijven. In de meeste artikelen (zie ook hier) die ik voor ManagementSite geschreven heb gebruik ik het impliciet. En zo hoort het ook, vind ik. Het is en blijft een middel dat zijn nut moet bewijzen in het beter aanvatten van de problemen van het samenwerken, managen en organiseren. Daarom moet het ook in voortdurend contact met de praktische werkelijkheid duidelijk worden en zich bewijzen. Zie in dit verband in onze kennisbank Sturen op verantwoordelijkheid.

Schatplichtig
Heb ik dit referentiekader zelf bedacht; welnee. Ik heb het geluk gehad als student Norbert Elias te ontmoeten. Elias was een historicus maar ook een socioloog en een psycholoog. Hij was zeker geen econoom of bedrijfswetenschapper maar zijn studies over de ontwikkeling van de samenleving gedurende de afgelopen milennia zetten mij op het spoor. Zijn manier om de ontwikkeling van samenlevingen beter te begrijpen heb ik gebruikt als fundament voor mijn denken over organisaties. Waarom? Omdat het mij keer op keer hielp om beter te snappen wat er aan de hand was; ‘beter’ dan met de andere denkmodellen die mij ter beschikking stonden. Met vallen en opstaan! Maar zo ging het wel. Dat wil overigens niet zeggen dat er geen andere auteurs waren die mijn denken stimuleerden, bijvoorbeeld: de configuraties van Minzberg, de ontwikkelings modellen van Greiner en Lievegoed, het differentiatie en integratie concept van Lawrence en Lorsch en het focus op het primaire proces bij Schaffer.

Vroegwetenschappelijk
Ik heb het idee dat we met onze kennis over organisaties nog in een vroegwetenschappelijke fase zitten. Met alle kenmerken die daarbij horen: grote verwarring, scherpe concurrentie tussen aanhangers van uiteenlopende modellen en concepten, de waan van de dag, hype na hype, veel ruimte voor magiërs die beweren dat ze van lood goud kunnen maken, en profeten die volhouden dat verwetenschappelijking er niet in zit, de ware aard van de mens leent zich daar immers niet voor.

Doe wat werkt
Uiteindelijk zit de wijsheid van een referentiekader, concept of model in het doen. In de sfeer van het doen gebeurt er erg veel; door vaklui wel te verstaan die zich nauwelijks om conceptuele discussies bekommeren. Aldus ontstaat, al doende, ervaringskennis. Logistieke problemen worden opgelost, stafdiensten worden afgeslankt, organisaties worden afgeplat, ERP systemen worden ingevoerd, teams gaan resultaatgerichter werken, leveranciers worden goed gescreend en komen op een ‘short list’, conflicten tussen en binnen teams worden bijgelegd, intranetten verspreiden relevante informatie, kennis wordt opgeslagen in een database, verkopers krijgen een verkoop-training, men gaat outsourcen, de strategie wordt aangepast aan de marktontwikkelng, met een paar klanten wordt een interessante innovatie bedacht, etc. etc. Daar gebeurt het eigenlijke werk. Met meer of minder succes.

Er is de kans dat concepten die duidelijk bijdragen tot ‘meer succes’ cq tot betere oplossingen op den duur boven het maaiveld uitkomen. De uitwisseling van ervaringen op internet vergroot, zo vermoed ik, deze kans. ManagementSite wil aan die uitwisseling stevig bijdragen.

Willem Mastenbroek
Hoofdredactie ManagementSite

Meer over deze onderwerpen vindt u in de discussie over de leerstijlen van Kolb. De discussie naar aanleiding van het concept van de lerende organisatie van Senge staat hier.

Deze column werd ingezonden door Willem Mastenbroek. Heeft u ook iets wat u bezig houdt? Plaats uw eigen column ›