Zuid Afrika staat momenteel in de belangstelling van de gehele wereld. Helaas voor het land en haar kleurrijke bewoners en liefhebbers van voetbal is de berichtgeving veelal negatief en tendentieus. Hierdoor ontstaat een beeld van een inferno en roept het land bij veel mensen een gevoel op van geweld, opstanden en onveiligheid. Met de nodige dedain wordt gesproken over het organisatorisch vermogen van de Zuid Afrikanen.

Vanuit ons modernistische en rationalistische wereldbeeld gericht op het beheersen, ordenen en controleren lopen we steeds meer aan tegen grenzen. Het op Cartesiaanse wijze opstellen en controleren van steeds meer en ingewikkelde regels leidt niet tot meer inzicht of verbetering. Het adagium: ‘wie orde zaait zal chaos oogsten’ (Baets) lijkt meer en meer van toepassing.

De groeiende onzekerheid en gebrek aan gemeenschapszin en de steeds meer manifest wordende individualisering roept de vraag op wat wij kunnen leren van de tribale Zuid Afrikaanse manier van (samen)werken.

De Zuid Afrikaanse uitdrukking Ubuntu uitgesproken als oe-BOEN-toe is een begrip dat draait om toewijding en relaties tussen mensen onderling. Een langere definitie, zoals gebruikt door aartsbisschop Desmond Tutu (1999):
‘Iemand met Ubuntu staat open voor en is toegankelijk voor anderen, wijdt zich aan anderen, voelt zich niet bedreigd door het kunnen van anderen, omdat hij of zij voldoende zelfvertrouwen put uit de wetenschap dat hij of zij onderdeel is van een groter geheel en krimpt ineen wanneer anderen worden vernederd of ineenkrimpen, wanneer anderen worden gemarteld of onderdrukt’.

Belangrijk hierbij is dat het wij – zij denken wordt ingeruild voor het denken in jij en mij. Deze ‘community’ gedachte leidt ertoe dat ook vrijwilligers volledig onderdeel zijn van de gemeenschap en geen secundaire medewerkers zijn. Het is niet nodig om een formeel contract te hebben om volwaardig lid van de (werk)gemeenschap te zijn.

Een andere kwaliteit is het denken vanuit overvloed in plaats van schaarste. Bij schaarstedenken wordt ervan uitgegaan dat alle hulpmiddelen al zijn ontdekt en dat de schaarste verdeeld moet worden. Hierbij wordt gedacht vanuit tekorten. Procedures, regels en voorschriften zijn erop gericht om de gepercipieerde schaarste te verdelen.
Bij het denken vanuit overvloed wordt er vanuit gegaan dat door ‘Neue Kambinationen’ (Schumpeter) van gedrag en middelen een nieuw niveau van ontwikkeling ontstaat.
Vaak is het niet eens te zeggen of er daadwerkelijk sprake is van overvloed of schaarste maar veelal gaat om een perceptie. Zuid Afrikanen zijn in staat om overvloedsdenken toe te passen. Een mooi voorbeeld zag ik hiervan in Soweto. Er was een gebrek aan werk, scholing en gezondheidszorg. Om de uitzichtloze situatie een nieuwe betekenis te geven werd het denken omgekeerd: er was een overvloed aan arbeidskrachten, grondstoffen in de vorm van afval en aan energie om verschil te willen maken. Kinderen gingen het afval zien als grondstof. Ze haalden het op en scheidden het. Van plastic maakten ze hoedjes en badmatjes. Van oud papier maakten ze nieuw papier dat op schooltjes kon worden gebruikt. Onbruikbaar papier werd papier-maché dat als grondstof kon dienen voor kunst. Oude vaten werden trommels. De trommels stimuleerden anderen tot het maken van muziek-instrumenten uit de afvalberg. Zo ontstond er kunst en muziek. De afvalberg werd weggewerkt en mensen in de wijk vonden een nieuwe identiteit. Vanuit identiteit, betekenisgeving en zelforganisatie is een nieuwe gemeenschap ontstaan: mensen geven zelf vorm aan hun toekomst.

Op voetbalgebied kunnen wij de Zuid Afrikanen wellicht het nodige leren, maar op het gebied van de levenskunst, de passie, de verbinding, de hartelijkheid en het plezier vormen zij een belangrijk voorbeeld voor ons.

Drs. Martijn Meulenbeek MCM
Mandla Consultancy & Interim Management

Deze column werd ingezonden door Martijn Meulenbeek. Heeft u ook iets wat u bezig houdt? Plaats uw eigen column ›